(Dit essay is ook beschikbaar als pdf)
Onderweg van Trinidad naar de oostelijke stad Santiago, het eindpunt van onze rondreis, doen we het plaatsje Sancti Spiritus aan. Nu ik dit neerschrijf valt het me des te sterker op - als je ze zo op een rijtje ziet - hoeveel christelijke mythologie deze drie toponiemen met zich meetorsen: behalve de drie-eenheid en de Heilige Geest is ook Sint-Jacob de Morendoder (Santiago Matamoros) van de partij, de 'koene' strijder die op zijn witte ros de Arabieren bevocht - was hij een moslim geweest, dan hadden we hem tegenwoordig een terrorist of een jihadi genoemd. Deze Spaanse en Latijnse plaatsnamen vertellen een oud verhaal over onderdrukking, over het culturele geweld dat in het benoemen van het andere of het onbekende schuilt, maar misschien zeggen ze nog wel meer over de angsten en verlangens van de eerste kolonisten. Dit was de Nieuwe Wereld, en het moest daarom een nieuw begin worden; hier diende men de fundamenten te leggen voor een zuiver christelijke samenleving die, anders dan in Europa, niet 'verziekt' mocht worden door Arabische of joodse elementen. Wie naar de overzeese gebieden wilde vertrekken moest kunnen bewijzen, soms tot ettelijke generaties terug, dat er zich onder zijn voorouders geen joden of Moren bevonden. (Overigens ook de voornaamste redenen waarom Cervantes zijn droom om naar Amerika te emigreren niet kon waarmaken.) Door koloniale steden zulke vrome namen te geven leken de stichters dan ook het gevaar om door het 'vreemde' besmet te raken bij voorbaat te bezweren, het heidense op een veilige afstand te houden. In de zestiende-eeuwse verbeelding stond heidendom nu eenmaal gelijk met de islam - we mogen niet vergeten dat het laatste moslimbolwerk Granada pas in 1492 gevallen was -, zodat het nauwelijks verbazing hoeft te wekken dat Santiago hier op Cuba zijn vlammend zwaard boven de hoofden van een Moors fantoomleger zwaait. Bernal Díaz del Castillo, Cortés' secretaris tijdens diens verovering van Mexico in 1519, noemt in zijn reisverslag de Azteekse tempels ook niet voor niets "mezquitas", moskeeën dus. Hier fungeert de taal als wapen, maar evengoed als projectiescherm van troebele hartstochten, een beslagen raam tussen de spreker en de bedreigende buitenwereld.
Maar in weerwil van zijn hoogdravende benaming heeft Sancti Spiritus weinig te bieden. Het middeleeuws ogende stenen bruggetje - één van de zeldzame exemplaren in zijn soort op Cuba - dat de gids ons wil laten zien, vermag het hoofdzakelijk Nederlandse reisgezelschap niet bijster te bekoren. Zulke bruggetjes vind je in West-Europa bij de vleet, daarvoor zijn we niet zo ver gekomen. Waarvoor dan wel eigenlijk? Deze vraag laat me niet los, al vanaf de eerste dag in Havana toen het me vrij snel duidelijk werd dat je hier binnen het gareel van het uitgestippelde toeristische traject moet lopen. Deze opgelegde rol van de rijke westerse vertierjager werkt beknellend, zelfs vervreemdend in de zin dat het je dwingt naar een weinig flatteus spiegelbeeld te staren waarvoor je meestal halsstarrig je ogen sluit. Hier moet je echter wel de dure hotels en all-inclusive resorts zien die alleen voor jou zijn gebouwd, waar jouw niet-Cubaanse nationaliteit je het recht verleent onbeperkt te eten, te drinken, gebruik te maken van de sportaccommodatie en je aan goedkope avondshows te vergapen - om van de rest maar te zwijgen; hier kan het je niet ontgaan dat de uitgestrekte stranden op de souvenirverkopers na aan buitenlanders zoals jij zijn voorbehouden, dat de vaak halflege toeristenbussen de enige zijn die niet mogen stoppen om lokale lifters op te pikken, dat folkloristische dansspektakels worden opgevoerd om jou te vermaken en jou de gelegenheid te geven het 'authentieke' Cuba op film en in je herinnering vast te leggen; je weet ook dat te jouwer ere zelfs een aparte munteenheid in het leven is geroepen, de CUC waarmee je overal geacht wordt te betalen omdat die zo'n slordige 24 keer meer waard is dan de gewone Cubaanse peso... De privileges zijn stuk voor stuk net iets te nadrukkelijk aanwezig om zelf geen parodie te schijnen op Orwells satirische wettekst: "All animals are equal, but some are more equal than others". Hoewel hij niet expliciet aan Animal farm refereerde was het misschien ook wel de gedachte aan dit klassieke spotschrift tegen het stalinisme, die de Braziliaanse literatuurwetenschapper Raúl Antelo, tijdens een lezing die ik enkele maanden na ons bezoek aan Cuba bijwoonde, ertoe bracht Fidels paradijs "de dierentuin van het socialisme" te noemen. In ieder geval zijn de sfeer en het decor op Cuba, eind 2007, nauwelijks nog treffender te omschrijven. Dit geldt met name voor een stad als Santa Clara, waar in een imposant mausoleum Che Guevara - of wat ze nog van hem hebben teruggevonden, volgens Portocarero niet meer dan een hoopje botten dat in een babykistje paste - begraven ligt en de wrakken te bewonderen zijn van de trein die de guerrillero's in 1959 hebben opgeblazen, maar net zozeer voor het vroegere hart van de suikerteelt Trinidad, waarvan het door de UNESCO beschermde historische centrum nagenoeg 'Cubaan-luw' is gemaakt - andermaal de zwermen sigarenslijters, entertainers en handelaren in snuisterijen niet meegerekend - zodat de eigenlijke bewoners naar de armetierige buitenwijken zijn verdreven. Het draagt er allemaal toe bij dat je je een voyeur voelt, een flaneur in een rariteitencabinet of de zoöloog van de uitstervende diersoort der communisten, een ongewenste indringer wiens al te vrijpostige optreden men met lede ogen aanziet maar niettemin tolereert, weliswaar met een ironisch lachje om de mond, uit ontzag voor een overvoede geldbuidel.
Op een wandeling door de winkelstraatjes van Sancti Spiritus stuiten we wel op de enige boekhandel die we op deze reis zullen tegenkomen. Nu ja, boekhandel, een librería zoals je je die moet voorstellen in een land waar boeken uiterst schaarse luxegoederen zijn: een ruim vertrek waar in de rekken langs de muren en op de tafels in het midden wat beduimelde zoveelstehandspaperbacks liggen uitgestald. Niet rug aan rug, zoals ze uit plaatsgebrek in een Europese boekwinkel of bibliotheek staan opgesteld, maar zij aan zij liggen de boeken in rijtjes, hoogstens vijf per plank, daarbij dusdanig neergelegd dat de winkel globaal genomen niet dramatisch leeg zou ogen. Het oor weet echter wel beter: hier geen warme, gedempte akoestiek als gevolg van metershoog opgetast papier, maar een hol, kil geluid waardoor de stemmen van de twee toeschietelijke verkoopsters in de ruimte verstrooid raken en hun Spaans nog moeilijker te verstaan is dan hier doorgaans op Cuba, vanwege de gutturale uitspraak en het systematische 'inslikken' van eindklanken, al het geval is. Het kan met het vroege hete middaguur te maken hebben dat er behalve wij geen andere klanten in de winkel te bekennen zijn, maar het valt te betwijfelen of de dames het ooit razend druk krijgen. "Iedereen had een baan onder het communisme", hoorde je wel eens in Polen beweren maar dan vergat men erbij te vertellen dat, bijvoorbeeld, voor een klein winkelcentrum minstens zes parkeerwachters werden aangeworven... Uit de verraste toon van de verkoopster meen ik hoe dan ook te kunnen afleiden dat hier maar zelden toeristen over de vloer komen, en al helemaal een witte raaf die blijkbaar werkelijk iets wil kopen en naar de poëzie van José Martí vraagt. Een veilige want politiek-hypercorrecte keuze, zo dacht ik, omdat de grootsheid van de alomtegenwoordige monumenten die aan Martí zijn gewijd - met name het standbeeld naast Castro's ambtswoning op de Plaza de la Revolución in Havana dat tientallen meters boven de verkeersstromen uittorent - bewijzen hoezeer de huidige bewindvoerders de negentiende-eeuwse vrijheidsstrijder aan hun tere hart hebben gedrukt. En, laten we eerlijk zijn, zelfs de meest hardvochtige bruut moet toch week worden van binnen bij zoveel romantiek: de dichter die wegens zijn rotsvaste geloof in de vrijheid en zijn patriottistische teksten van zijn geboortegrond wordt verdreven door de vreemde overheersers, en vervolgens, na jaren lang rond te hebben gezworven, naar zijn vaderland terugkeert om er voor zijn idealen te sterven...
Geboren in Havana in 1853 als zoon van weinig bemiddelde Spanjaarden raakte Martí al vroeg actief betrokken bij groeperingen die voor Cuba's onafhankelijkheid ijverden. Hij schreef zijn eerste nationalistische gedichten, waarvoor de koloniale autoriteiten hem - nauwelijks 17 jaar oud - tot 6 jaar dwangarbeid veroordeelden. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij evenwel spoedig naar Spanje overgebracht, waar hij Rechten en Letteren ging studeren, maar er ondertussen niet voor terugschrok te blijven publiceren over het wangedrag van het moederland in de nog resterende koloniën. Na de langdurige omzwervingen door Europa en Amerika die daarop volgden vestigde hij zich uiteindelijk vanaf 1880 als balling in New York, waar hij niet alleen in literair opzicht zijn productiefste periode beleefde - behalve poëzie schreef hij ook journalistieke stukken en werkte hij als vertaler - maar bovendien voorbereidingen trof voor de volgende bevrijdingsoorlog, tegelijk agerend tegen het Spaanse gezag en de plannen van de VS om Cuba te annexeren. In Nuestra América uit 1891 riep hij dan ook alle mogelijke medestanders op de wapens op te nemen tegen "de despotische, boosaardige kolonisator": "Tot en met het laatste gehucht in Latijns-Amerika dient te ontwaken. Dit is geen moment om met je hoofd onder een doek te slapen, wel om wapens als hoofdkussen te gebruiken (.) de wapens des oordeels, die de andere zullen overwinnen. (.) We mogen niet langer een volk van bladeren zijn, dat in de lucht woont, met de kruin in volle bloei, die knapt en ruist al naargelang of het grillige licht hem streelt of stormen hem geselen en vellen. De bomen moeten de rangen sluiten, opdat de reus met de zevenmijlslaarzen niet kan passeren!"
Mede dankzij zijn contacten met de leiders van de opstandelingen, de generaals Máximo Gómez en Maceo, wist Martí in april 1895 samen met een klein groepje ballingen Cuba te bereiken om zich in het strijdgewoel te mengen. Amper een maand later, op 19 mei, vond hij de dood in de slag bij Dos Ríos doordat - zo meldden sommige bronnen met gevoel voor dramatiek - de onervaren militair Martí, in zwarte jas op een wit paard gezeten, een al te gemakkelijke schietschijf voor de vijand vormde toen hij, Gómez' bevel tot terugtrokken negerend, een jonge strijdmakker ertoe aanzette met z'n tweeën in de tegenaanval te gaan. Hoewel deze laatste episode iets te sterk naar quichottisme ruikt om nog geloofwaardig te klinken, lijkt het niettemin aannemelijk dat deze man van de letteren zich niet als bij toverslag tot een man van de wapenen vermocht om te smeden en zijn onbezonnenheid zodoende debet was aan het vroegtijdige einde van diens chevalereske carrière. Overigens, uit onder meer het door de antropoloog Miguel Barnet opgetekende relaas van Esteban Montejo, een cimarrón - een weggelopen slaaf - die onder Maceo had meegevochten, blijkt wel hoe bloedig dit conflict moet zijn geweest. Niet alleen kostte het aan honderdduizenden Cubanen het leven, ook de gebruikte middelen en tactieken waren van een ongekende wreedheid. De Spaanse bevelhebber Weyler, bijgenaamd "de slager", komt bijvoorbeeld de dubieuze eer toe in deze oorlog de concentratiekampen te hebben uitgevonden. Ofschoon nog geen massavernietigingswapens zoals de nazi's die zullen introduceren waren dit wel de eerste kampen waar grote groepen gevangenen, onder wie ook burgers, voor lange tijd geïnterneerd werden; bovendien in dermate erbarmelijke omstandigheden dat ze er al gauw door ziekte en uitputting met bosjes tegelijk bezweken.
Martí's teleurstellende veldtocht heeft zijn latere heiligverklaring onder het Castro-regime kennelijk geenszins belemmerd. Geheel in overeenstemming met de religieuze terminologie die de Communistische Partij hier hanteert, waardoor bijvoorbeeld het revolutiejaar 1959 als het nieuwe "jaar Nul" wordt herdacht, staat de dichter thans te boek als "een apostel van de Revolutie". Hoewel dit messianistische discours bevreemding kan wekken in de context van een politiek systeem dat religie in eerste instantie naar de illegaliteit had verwezen en pas het laatste decennium weer oogluikend gedoogt, is het natuurlijk een veel beproefde retorisch truc die misschien wel zo oud is als de mens zelf. Zo is eenzelfde hernieuwde jaartelling ook na de Franse Revolutie ingevoerd door de Nationale Conventie van 1792, en neemt - ironisch genoeg - Cuba's aartsrivaal Bush met even veel genoegen formules in de mond als "de kruistocht tegen het kwaad" of "onze missies in Afghanistan en Irak". Zou er in de geschiedenis überhaupt één oorlog zijn uitgevochten waar men (de) god(en) niet aan "onze kant" wist? Hemelse bescherming, of beter gezegd, het taalgebruik dat hiervan de schijn creëert verheft "onze zaak" immers gevoelsmatig tot de rechtvaardige, de ware, de goede, en omkleedt haar met het aura van de onontkoombaarheid, de bittere maar licht te dragen noodzaak van het offer, of de ondoorgrondelijkheid van de lotsbestemming. Martí krijgt op die manier de rol toebedeeld van de echte profeet wie van oudsher de toegang tot het beloofde land is ontzegd; hij is ook de heraut die het blijde nieuws over de komst van de Verlosser heeft verkondigd, en zoals de eerste volgelingen van Christus er zonder aarzelen zijn hachje voor in de waagschaal wilde stellen. Hoewel Fidel te langen leste een gunstiger lot bleek te zijn beschoren dan de onfortuinlijke dichter, moet diens "apostolaat" wellicht ook enige parallellen tussen beider levenslopen aan het licht brengen: hun onvoorwaardelijke idealisme, hun ballingschap, en hun uiteindelijke landing op Cuba met een handjevol kameraden in een lekke schuit....
Het denkbeeld dat de geschiedenis geen ontwikkeling kent maar zich slechts eindeloos herhaalt, steekt als een doorn in het vlees van het historische bewustzijn en laat zich nooit volledig uitrukken. Vooral in affectief opzicht spreekt het ons nog aan, waardoor het in propaganda des te effectiever kan worden aangewend. De vermeende gelijkenis tussen Martí en Castro rappelleert dan ook “Tema del traidor y del héroe” (Thema van verrader en held), één van de kortverhalen uit het fameuze spiegelpaleis Ficciones van Jorge Luis Borges. Een biograaf tracht een eeuw na dato de verraderlijke moord op de Ierse opstandeling Fergus Kilpatrick op te helderen, die in 1824 tijdens een theatervoorstelling werd neergeschoten. Al gauw rijpt bij hem het besef dat de analogie met de dood van Julius Caesar, ook in het openbaar op het forum aan het mes geregen, niet op zuiver toeval kan berusten: precies zoals Caesar was ook Kilpatrick, onder meer, op de dag van de aanslag gewaarschuwd voor de samenzwering in een brief die hij niet tijdig had kunnen lezen. Ogenschijnlijk betreft het hier een reïncarnatie van de Romeinse potentaat, of de cyclische wederkeer van bepaalde onverbreekbare patronen.
Maar waarom komt een dergelijk cyclisch tijdsbeeld ons zo aanlokkelijk voor? Misschien wel omdat het de opeenvolging van gebeurtenissen een rigoureus aanschijn als dat van getallenreeksen, de ommegang der sterrenbeelden of Bachs Goldbergvariaties verleent, en deze ofschoon niet rechtvaardigt toch esthetisch aanvaardbaar maakt. Borges zou evenwel Borges niet zijn, mocht hij het vraagstuk niet verder compliceren. De biograaf ontdekt namelijk dat de analogie tussen Caesars en Kilpatricks einde van de eerste figurant tot en met het laatste schot geënsceneerd was. Nadat het geheime genootschap waartoe hij behoorde Kilpatrick ervan had beticht met de vijand te heulen, zocht men naar een manier om hem terecht te stellen zonder daarbij de grote populariteit van de veroordeelde en dus van de republikeinse zaak in gevaar te brengen. Met medeweten van het “slachtoffer” werd daarom besloten zijn executie op Shakespeare's Macbeth en Julius Caesar te baseren, hetgeen niet alleen het dramatische effect ervan zou verhogen maar het bovendien zou vergemakkelijken om deze “laffe daad” in de schoenen van de Engelsen te schuiven. Niettemin ziet de biograaf ervan af zijn ontdekkingen wereldkundig te maken, zodat ook zijn boek de mythe rond Kilpatrick intact laat en dus als het ware deel wordt van dezelfde tragikomedie. Geschiedenis blijft hoe dan ook een eindeloos barslecht stuk, maar wie het spuugzat is om naar acteurs en decorstukken te kijken - die op Cuba wel erg opzichtig zijn opgesierd - en verongelijkt op zoek gaat naar de uitgang om zijn geld terug te eisen, komt er gauw genoeg achter dat dit theater er geen heeft...
Tegen alle verwachtingen in kunnen de dames in de boekhandel me niet verder helpen: van de dichter des vaderlands hebben ze momenteel geen poëzie in “voorraad”. Het beroemdste zijn ongetwijfeld Martí's Versos sencillos (Eenvoudige verzen), waaruit we destijds aan de universiteit van Alicante een aantal gedichten hebben besproken. Wat me van die colleges over het laatnegentiende-eeuwse modernismo - grofweg gesteld de Latijns-Amerikaanse tegenhanger van het West-Europese symbolisme - vooral is bijgebleven, zijn de onopgesmukte dictie, wereldse thematiek en toegankelijke beeldspraak van Martí. Deze eenvoud, altijd erg relatief in een periode waar dichters woorden als “rubi” (robijn), “alma” (ziel) en “universo” (universum) kwistig in de rondte strooien, beviel me wel; naast de alexandrijnen van de Nicaraguaan Rubén Dario die bijna onder de mythologische ballast bezweken of anders in een wolk van etherisch gefonkel schenen op te lossen, boden Los versos sencillos een ietwat aardser aanblik. Dat merk je al gelijk in de openingsregels van dit boek, die niet voor niets later ook de eerste strofe van Cuba's beroemdste volkswijsje “La guantánamera” zouden vormen:
“Yo soy un hombre sincero
De donde crece la palma,
Y antes de morirme quiero
Echar mis versos del alma."
(Ik ben een eerlijk mens
Van waar de palmboom groeit,
En eer ik sterf wil ik
De verzen uit mijn ziel spuien.)
Hoewel Martí's woorden oorspronkelijk helemaal geen betrekking hebben op enige “Guajira Guantánamera”, een boerenmeisje uit Guantánamo, heeft dit populaire liedje – met name de vertolking van Buena Vista Social Club - ervoor gezorgd dat ze voorgoed aan deze plaatsnaam verbonden schijnen. Een nieuwe betekenislaag heeft er zich op vasgezet, als klonk uit deze breekbare lyriek een hedendaags protest op tegen de barbarij die daar, in Guantánamo Bay, een vrijhaven heeft gevonden. Voor Martí, echter, was de plaats “waar de palmboom groeit” het verloren Cuba van de emigrant:
"Cuba nos une en extranjero suelo,
Auras de Cuba nuestro amor desea:
Cuba es tu corazón, Cuba es mi cielo,
Cuba en tu libro mi palabra sea."(Cuba verenigt ons op vreemde bodem,
Cubaanse briesjes is waar onze liefde naar verlangt:
Cuba is jouw hart, Cuba is mijn hemel,
Moge mijn woord in jouw boek Cuba zijn.)
Terwijl ik deze regels vertaal, kom ik erachter dat “aura”, hier weergegeven met het meest voor de hand liggende “briesje”, ook naar de “Cathartes Aura” kan verwijzen, de afzichtelijke kalkoengier die we meermaals op onze reis hebben ontmoet. (De voor andere giersoorten kenmerkende lange nek schijnt bij deze knapperd evolutionair te zijn weggeselecteerd, doordat op een eiland als Cuba geen grote zoogdieren voorkomen en er dus ook niet diep in kadavers hoeft te worden gewroet, aldus onze natuurdeskundige reisleidster.) Opmerkelijk dat één woord tezelfdertijd lieflijke verfrissing en meedogenloze lijkenpikkerij kan huisvesten. Nu is het evenwel moeilijk voorstelbaar dat de dichter ooit reikhalzend naar de kalkoengier heeft uitgezien, hoe typisch het mormel ook voor het suikereiland mag zijn. Hier spreekt veeleer de ontheemde die het thuisland verheerlijkt ten koste van het ballingsoord, waarvan hij de lokale zeden en gewoonten verfoeit. Wat voor de Joden Babylon was, waar “goden (.) een tong [hebben] die gepolijst is door een timmerman,” zodat “Het (.) allemaal bedrog [is]” (BrfJer 9), voor Ovidius Tomis aan de Zwarte Zee - het huidige Constanta in Roemenië - waar hij nog slechts treurdichten en -brieven over Rome schreef, voor Dante het laakbare Italië toen hij zich uit Florence verbannen wist, was voor Martí het geïndustrialiseerde New York:
"Un obrero tiznado, una enfermiza
Mujer, de faz enjuta y dedos gruesos:
Otra que al dar al sol los entumidos
Miembros en el taller, como una egipcia
Voluptuosa y feliz, la saya burda
Con las manos recoge, y canta, y danza:
Un niño que, sin miedo a la ventisca,
Como el soldado con el arma al hombro,
Va con sus libros a la escuela: el denso
Rebaño de hombres que en silencio triste
Sale a la aurora y con la noche vuelve
Del pan del dia en la dificil busca,—
Cual la luz a Memnón, mueven mi lira."(Een zwarte arbeider, een ziekelijke
Vrouw, met een gerimpeld gelaat en opgezwollen vingers:
Een ander die, terwijl ze haar spieren stram
Van het werk koestert in de zon,
Zoals een Egyptische sensueel en blij, met beide handen
Haar grove rok optilt, en zingt, en danst:
Een kind dat, onbeducht voor de sneeuwstorm,
Zoals een soldaat het wapen over de schouder,
Met zijn boeken naar school gaat: de dichte
Kudde mensen die in droef stilzwijgen
Bij dageraad vertrekt en 's nachts terugkeert
Van de zoektocht naar het dagelijks brood, even lastig
Als die van het licht naar Memnon, [zij allen] brengen mijn lier in beroering.)
Oog in oog met de anonieme massa van de Amerikaanse metropool beklaagt de dichter het tragische lot van deze moderne mens, door hard labeur lichamelijk ondermijnd, vervreemd van de ander en het natuurlijke daglicht. Afgezien van de obligatoire eerbied voor de antieke mythen – de rouw van de godin Aurora om het verlies van haar zoon Memnon in de Trojaanse oorlog – en de fascinatie voor de exotische, ongerepte Oriënt – waartoe dus ook Egypte werd gerekend – die Martí met vele van zijn Europese en Latijns-Amerikaanse collega-kunstenaars deelde, beelden deze verzen toch vooral de sociale bewogenheid van de dichter uit ten overstaan van zeer concrete ellende. In dit soort diepmenselijk meevoelen ontstijgt Martí louter nationale bekommernissen, en toont hij zich een waardig voorloper van de vroegtwintigste-eeuwse avantgardisten met hun combattieve literatuuropvatting. Schrijven tegen het maatschappelijke bestel in, of het liefst daar voorbij, om naar een betere, sociaal rechtvaardiger orde toe te werken. Hoewel tevens merkbaar in het latere werk van Darío, toen deze onder meer tegen de Amerikaanse inmenging in Panama fulmineerde, zou dit streven inderdaad pas in de volgende generaties, onder wie Nicolás Guillén, Vicente Huidobro, César Vallejo, Pablo Neruda en Octavio Paz, zijn utopische hoogtepunt beleven. Denken we maar aan het antifascistische schrijverscongres, dat ten tijde van de Spaanse burgeroorlog in 1937 in Madrid belegd werd, en waar alle voornoemde auteurs aan deelnamen. Velen onder hen waren toen ongetwijfeld communistisch geïnspireerd, Martí evenwel lang nog niet. Ook al zouden sommigen dat graag willen geloven...
Ook de “cuentos” (verhalen) waar de dames van de boekhandel plots mee komen aanzetten, vertellen veeleer over Martí's vertrouwen in de Verlichting, het liberalisme en de technologische vooruitgang. Zo bevindt zich onder de vier boekjes, eerder folders gedrukt op flinterdun onwelriekend papier, die men mij voorhoudt het verslag dat de dichter uitbracht van zijn bezoek aan de Parijse wereldtentoonstelling van 1889. Nadat hij de Franse Revolutie kort heeft geschetst vervolgt hij: “Noch in Frankrijk noch in een ander land hebben de mensen nog in dezelfde mate in slavernij geleefd als voorheen. Om dat te vieren heeft Frankrijk 's zomers, wanneer de zon het mooist schittert, alle volkeren van de wereld in Parijs samengeroepen.” In “La exposición de París” evenals in “Tres héroes”, een lofdicht op de “heilige bevrijders” van Latijns-Amerika Bolívar, San Martín en Hidalgo, is het al gelijkheid en broederschap dat de klok slaat. De simplistische, naïef aandoende toon van deze stukken vloeit voort uit het feit dat ze, aanvankelijk gebundeld in La edad de oro, allereerst dienden ter stichting van de Cubaanse jeugd. Laat ze nu maar dit kind van een zogenaamd postmoderne tijd opvoeden, dat slechts het hoofd schudt om zoveel idealisme en zich tegelijk schaamt over zijn al te makkelijke cynisme... Hoewel ik de grotere onbestemdheid van zijn poëzie hier verre boven verkies, besluit ik de “cuentos” toch als curiositeit te kopen. Behalve enkele bananen op een lokale markt is dit ongeveer het enige dat ik met de monopolymuntjes van de Cubaanse peso mag betalen. Toeristen worden niet geacht te lezen, zoveel is intussen duidelijk, zelfs niet de dichter des vaderlands!
Een paar dagen later staan we – zitten er ten strengste verboden – aan het graf van Martí in de oostelijke stad Santiago. Op deze begraafplaats, waar onder andere Compay Segundo en vreemd genoeg Napoloens lijfarts rusten die na de verbannen keizer op Sint-Helena nog te hebben bijgestaan naar Cuba was uitgeweken, worden we rondgeleid door een markante goedlachse vrouw, fleurig uitgedost in een roze jurk met witte stippels, die met luide stem de gestorvenen systematisch in twee categorieën onderbrengt, of het zijn “verraders” of het zijn “verdedigers van de Revolutie”. Voor wie de geschiedenis van de vooruitgang schrijft zijn zelfs de doden niet veilig, daar heeft Walter Benjamin reeds voor gewaarschuwd. Trompetgeschal, roffelende laarzen op het plaveisel, soldaten marcheren af, anderen treden aan: ieder halfuur, van zonsopgang tot zonsondergang, wisselt de wacht bij het bombastische grafmonument dat aan Martí is gewijd. In dit bedevaartsoord van het Castro-regime speelt Martí ongewild voor Morendoder; de ambiguïteit van de poëzie legt het hier andermaal af tegen het ordenende geweld van de binaire tegenstelling. Hopelijk mag hier binnen afzienbare tijd, in plaats van dit militaire vertoon, een stille steen met zijn eenvoudige verzen erop voor de dichter spreken.
Door: Piet
Je bevindt je momenteel in Cuba, een van de reisbestemmingen die te bereiken is vanuit het Station.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS