8 juli 2006
Toen we onlangs in Haarlem een concert van Moya Brennan bijwoonden, vertrouwde deze Ierse zangeres het publiek, en dus ook ons, een intrigerende anekdote toe. Het ging om de ontstaansgeschiedenis van haar nieuwste plaat Two horizons. Op een avond in een kroeg had een vreemdeling haar namelijk verteld over een geheimzinnige harp. De hemelse klank ervan was zelfs ooit te horen geweest aan de hoven in Tara, de stad aan de oostkust waar ten tijde van het legendarische Erin de machtige koningen resideerden; zo ontiegelijk oud was dat instrument. Moya Brennan besloot op zoek te gaan naar die wonderlijke harp, en het was dan ook deze queeste die nadien de inspiratiebron zou vormen voor het bovengenoemde album.
Dit verhaal ademt vast en zeker enige mysticiteit, wat het op zich al interessant genoeg maakte, maar ik werd toch vooral getroffen door een ogenschijnlijk detail. Het bleek immers niet zomaar een onbekende te zijn die haar op de Tara-harp had geattendeerd; hij kreeg in haar woorden een veelbetekenend epitheton mee:"It was a blind stranger who told me this story." De wetenschap dat de muze in kwestie blind was, versterkte onmiskenbaar het esoterische waas dat rond haar muzikale speurtocht hing. Maar waarom eigenlijk? Hoe viel het te verklaren dat dit voorval waarschijnlijk aan narratieve kracht had ingeboet, indien de informant bijvoorbeeld de één of andere producer was geweest? De zaak liet me niet los, met name omdat er duidelijk een verband bestond tussen deze constatatie en de traditionele rol van de blinde in de literatuur.
Lang hoeven we niet te grasduinen, want de gelijkenis met de aartsvader van de westerse letteren, Homèros, kan ons moeilijk ontgaan. Niettegenstaande het aanzienlijke aantal deskundigen dat diens histotische bestaan ontkent en de aan hem toegeschreven werken de vrucht noemt van meerdere anonieme vertellers uit verschillende streken en eeuwen, heeft het geromantiseerd personage van de rondtrekkende, blinde bard - zoals hij reeds in de klassieke bronnen, onder meer bij Herodots, wordt geportretteerd - stevig post gevat in de collectieve verbeelding. Of er nu omstreeks 800-700 v. Chr. daadwerkelijk zo'n zanger ronddwaalde in Klein-Azië, op de kusten van het huidige Turkije, doet er verder weinig toe. Veeleer luidt de vraag waarom de figuur van de blinde dichter, als zelfstandige entiteit en bijgevolg volkomen losgekoppeld van het auteurschap van Ilias en Odysseia, ons tweeënhalf millennium na dato even sterk kan fascineren.
Er zijn ongetwijfeld talrijke redenen voor te vinden, maar wat hem toch vooral onderscheidt, is de afwezigheid van zijn gezichtsvermogen. Wie een dergelijk ingrijpend verschil ten opzichte van het doorsnee individu vertoont, behoort a priori tot de anormale fenomenen. Dit indruisen tegen de gangbare norm hangt immers samen met een relatieve schaarste, een zekere uniciteit bezitten, en zodoende wint de blinde sterk aan attractiewaarde. Op dit punt bestaat er een markante parallel tussen hem en de stereotiepe immigrant, van wie bepaalde fysieke eigenschappen (huidskleur, haar- en klederdracht, lichaamsbouw of gelaatstrekken) door de autochtone bevolking als fundamenteel afwijkend worden ervaren.
En inderdaad, in het beste geval kan een soortgelijke uitzonderingspositie wel aardig wat maatschappelijk prestige opleveren. Je hoort vaak beweren dat de resterende zintuigen van blinden beter ontwikkeld zouden zijn dan gebruikelijk, dat deze mensen hun geheugen beter trainen bij gebrek aan externe, voor hen raadpleegbare informatiedragers, en dat het wegvallen van visuele prikkels en dus afleiding hen toelaat zich op innerlijke contemplatie te richten. Hierdoor verpersoonlijken ze, binnen bepaalde culturen, als het ware de poort naar een andere, onbedorven, voor gewone stervelingen ontoegankelijke wereld. Om bij de oude Grieken te blijven, in hun mythen treffen we meermaals de blinde ziener Tireisias aan. Alsof het nog niet genoeg was dat deze wijze dankzij zijn bovennatuurlijke gaven Oedipus' vadermoord en bloedschande aan het licht kon brengen, voorspelde hij bovendien dat Odysseus een thuisreis vol ontberingen te verduren zou krijgen toen deze hem in de Hades kwam opzoeken.
Het zou evenwel absurd zijn daaruit de concluderen dat die samenlevingen blindheid als een zegen beschouwden, een pluspunt waarom iemand benijd kon worden. Tireisias had de godin Athene op een dag zien baden in zee, en was daarom het zicht ontnomen. Met andere woorden, van oudsher bracht men blindheid onder bij de ergst denkbare straffen, soms opgelegd van hogerhand, soms zelf gekozen als boetedoening; toen Oedipus ontdekte dat de man die hij gedood had zijn vader en de vrouw met wie hij het bed deelde zijn moeder was, stak hij zelf zijn ogen uit. Steunend op de arm van zijn dochter Antigonè moest de eens zo trotse koning van Thebe voortaan bedelen om een aalmoes.
Vele bijbelteksten, en later de doctrine van de christelijke naastenliefde, zullen voornamelijk deze negatieve connotaties van de meelijwekkende stakker helpen consolideren. Suggereert de geïsoleerde positie van blinden in de oudheid nog een rijk geschakeerde gedachtewereld, vanaf de middeleeuwen domineert hoofdzakelijk de tegengestelde overtuiging, namelijk dat ze de waarheid nooit werkelijk kunnen zien. Hun heiland herkennen ze niet, waardoor deze verdoemde zielen wel verloren moeten gaan voor de eeuwigheid. Almaar vaker wordt blindheid dan ook metaforisch gebruikt om naïeve onschuld, onbehouwenheid, bekrompenheid en egoïsme aan te duiden. Zo citeert Multatuli in het begin van Max Havelaar de Franse journalist Henri de Pène die dichters smalend "les petits-fils d'Homère" noemt; ze kunnen wel urenlang tobben over één vers waarvan het metrum stokt, maar zodra ze een spijkertje in de muur moeten slaan, raken ze in paniek.
Aangezien door de eeuwen heen deze contraire visies op de blinde, respectievelijk voorgesteld als wijze - of ondoorgrondelijke vreemdeling - en kluns, op gespannen voet naast elkaar bestonden en veelal, soms zelfs binnen dezelfde tekst, kriskras door elkaar liepen, zou een wetenschappelijk literatuuronderzoek misschien enige klaarheid kunnen scheppen. Daarnaast lijkt het me wel boeiend om na te gaan wat grote schrijvers zoals John Milton, James Joyce, Aldous Huxley en Jorge Luis Borges, die allen met ernstige oogproblemen kregen af te rekenen en op latere leeftijd zelfs volledig blind werden, te zeggen hadden over hun visuele beperking en hoe deze laatste hun literaire werkzaamheden heeft bijgestuurd. Ja, wie weet schrijf ik op zekere dag nog een boek over Homèros' kleinkinderen...
Door: Piet
Door hieronder je e-mailadres achter te laten, ben je direct vrijblijvend geabonneerd op Logos - de tweewekelijkse bewegwijzering van de stad FILOGOPOLIS - waarin je de recente bouwactiviteiten verneemt, columns kunt lezen en we je wijzen op andere websites die waarschijnlijk ook voor jou interessant zullen zijn. We gebruiken je adres overigens voor geen enkel ander doeleinde dan deze e-mailnieuwsbrief, en je kunt je abonnement ook op elk gewenst moment weer opzeggen door simpelweg een antwoordmailtje op een LOGOS-aflevering te sturen.
Columns
Homèros' kleinkinderen
A la recherche du temps perdu
Ontmoeting tussen acteurs
Voorlezen leidt tot sigaren en... weinig vertalen
A narrow escape
reisbureau (tips voor cybertrips)
Je leest nu een column uit het archief van Logos, de tweewekelijkse bewegwijzering van deze stad.
Lees ook het artikel over Ryszard Kapuscinki's Reizen met Herodotos: Waar komen de schepen vandaan die je aan de horizon ziet?. Tevens kun je een fragment lezen uit het besproken boek.
Je kunt terugwandelen naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS, of vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS