14 januari 2006
De historicus Eric Hobsbawm ventileert in de inleiding van zijn schitterende overzichtswerk Een eeuw van uitersten, waarin hij op lucide wijze de keerpunten uit de voorbije eeuw behandelt, zijn bezorgdheid over de toenemende desinteresse voor geschiedenis. Het is inderdaad een onrustwekkende tendens. Nooit eerder werd er zoveel geschreven (e-mail, sms, chatgesprekken), gefilmd, gefotografeerd en gearchiveerd als nu, en nooit was het collectieve vermogen tot vergeten sterker ontwikkeld. Zolang het persoonlijke herinneringen betreft, wil iedereen blijkbaar alles - de meest futiele voorvallen eerst - vastleggen voor het nageslacht. Zodra echter het verleden niet tot de eigen leefwereld behoort, wordt het terstond een zaak voor academici. De modale burger piekert er niet over zijn grijze celletjes ermee te belasten. Al wat hem in tijd en ruimte overstijgt, en hij dus niet zelf heeft beleefd, hoeft niet op zijn warme belangstelling te rekenen. Hoeveel mensen op honderd beseffen tegenwoordig in West-Europa nog hoe verstrekkend de gevolgen van de Russische Revolutie zijn geweest? Het communisme, een maatschappijmodel dat na de Tweede Wereldoorlog het dagelijkse leven van eenderde van de wereldbevolking een halve eeuw lang zou bepalen, is amper vijftien jaar na de ineenstorting van de Sovjet-Unie een vaag begrip geworden. En zo zijn er tal van voorbeelden te noemen.
Deze paradoxale spanning, tussen enerzijds een onstilbare verzamelwoede aangaande familiale faits divers en anderzijds een groeiende onverschilligheid ten aanzien van alle gebeurtenissen die zich te lang geleden of te veraf hebben afgespeeld, kan wellicht een symptoom van de Internetcultuur lijken. Maar zo recent is het verschijnsel niet, integendeel zelfs. Hobsbawm was absoluut niet de eerste die waarschuwde voor het gevaar van de amnesie. De invoering van het schrift baarde Plato immers al gelijkaardige zorgen. Hoe meer verhalen en mythen zouden worden opgeschreven, des te minder zouden de generaties ze mondeling aan elkaar doorgeven, vreesde de filosoof. Want wie ze niet meer zelf vertelde of hoorde vertellen, zou ze ook niet kennen, laat staan onthouden. Het menselijke geheugen kon volgens Plato in de toekomst wel eens zijn functie verliezen.
Gelukkig heeft het met die inperking van de mentale opslagcapaciteit niet zo'n vaart gelopen. Hoogst waarschijnlijk moeten de oorzaken hiervan gezocht worden in het hardnekkige overleven van orale tradities. Zelfs in het Westen bleven grote delen van de bevolking tot laat in de negentiende eeuw analfabeet. Hoewel de ontdekking van een tekensysteem met behulp waarvan klanken konden worden weergegeven millennia eerder had plaatsgevonden, betekende dit nog niet dat de kennis van deze mysterieuze symbolen - letters of ideogrammen om het even - wijd verbreid was. Plato's voorspelling werd dus niet zo gauw bewaarheid, omdat de miljoenen ongeletterden wel moesten voortbouwen op hun geheugen en de gesproken overlevering, wilden ze de voeling met hun geboortegrond, voorouders, religie, kortom hun etnische identiteit niet kwijtraken.
Maar thans liggen de kaarten wel ietsjes anders. Natuurlijk tiert het analfabetisme nog atlijd welig in een heleboel achtergestelde gebieden, en ziet het er niet naar uit dat daar spoedig verandering in zal komen. In een schril contrast hiermee staan echter de rijke landen die ondertussen het "informatietijdperk" zijn binnengetreden, met alle gevolgen van dien. De media en het Internet hebben als het ware het intertainment van de knusse avonden rond het vuur vervangen. Behalve de voortschrijdende individualisering tast ook het enorme aanbod van geschreven en makkelijk raadpleegbare informatie de sociale weefsels aan. Alleen het heden heeft nog recht van spreken. Wie hij gisteren was, boeit de westerling geen zier meer. Dus wat vorige week gebeurde, is helemaal belachelijk ver terug. Meestal krijgt hij niet eens de kans het aaibare "vroeger" te leren kennen waarover grootouders eeuwen aan een stuk
mooie verhalen opdisten voor hun kleinkinderen. De tijd dat drie generaties onder hetzelfde dak woonden, is immers voorbij. Jammer genoeg beschouwen velen geschiedenis daarom veeleer als een vervelend vak op school, waarvoor je af en toe malle tijdbalken uit je hoofd moet leren en waar je voor de rest hoegenaamd niets mee kan. De bewuste identificatie met het verleden neemt zienderogen af.
Krijgt Plato dan alsnog gelijk? Worden we mettertijd inderdaad van ingeplante chips afhankelijke, aan Google verslaafde, hersenloze weblog-debielen? Als het van de literatuur afhangt niet, in ieder geval. Sedert de Oudheid hebben schrijvers, zij aan zij met historici, het a priori hopeloze achterhoedegevecht geleverd tegen de tijd. De herinnering was hun brandstof, reden van bestaan. Maar in tegenstelling tot hun wapenbroeders, de geschiedkundigen, brengen zij verslag uit van de banale anekdotiek. De schrijver perst zich tegen de muur, laat zijn handen langs de ruwe stenen glijden, bestudeert het korrelige cement, legt zijn wang tegen het vensterglas, terwijl de historicus een stapje achteruitdoet, tegen de gevel omhoogkijkt tot aan de daklijst, en om het huis dat geschiedenis heet, heen probeert te lopen. Toch kan geen van beiden zcih ooit losmaken van dit huis, en blijven ze in de schaduw ervan gevangen.
Twee van zulke mensen zijn Herodotos van Halikarnassos, de beroemde chroniqueur van de Grieks-Perzische oorlog en tijdgenoot van Socrates, en Ryszard Kapuscinski, de Poolse auteur van literaire reisverhalen. In zijn nieuwste boek Reizen met Herodotos beschrijft Kapuscinski heel ontroerend zijn hechte vriendschap met de Griekse reporter avant-la-lettre die hem, ondanks het onderlinge leeftijdsverschil van een slordige tweeënhalfduizend jaar, op al zijn reizen trouw vergezelde. Kapuscinski werkte jarenlang als Afrika-correspondent voor verschillende Poolse kranten, maar verbleef vooral in zijn beginperiode ook meermaals in India en China. Waar hij ook ging of heen werd gezonden, overal zeulde hij in zijn koffer Herodotos' Historiën met zich mee. Wat hen allereerst met elkaar verbindt en telkens opnieuw aanspoort verder te trekken, is een onlesbare nieusgierigheid naar de wereld, de leefwijze en gewoontes van vreemde volkeren, maar eveneens de drang om wat aan hen voorafging te verkennen en te begrijpen. Net als zijn twintigste-eeuwse soulmate zwierf Herdootos onophoudelijk rond, op zoek naar getuigenissen en feitenmateriaal, en bracht hij nauwgezet verslag uit van zijn onderzoekingen en observaties. Als er iets is dat Kapuscinski van zijn oude meester en kameraad heeft geleerd, dan is het ongetwijfeld dat het geheugen een onontbeerlijk instrument is voor degene die de werkelijkheid wèl wil trachten te bevatten. Uit Reizen met Herodotos klinkt de hoop op dat het verleden nooit zwijgen zal.
Door: Piet
Door hieronder je e-mailadres achter te laten, ben je direct vrijblijvend geabonneerd op Logos - de tweewekelijkse bewegwijzering van de stad FILOGOPOLIS - waarin je de recente bouwactiviteiten verneemt, columns kunt lezen en we je wijzen op andere websites die waarschijnlijk ook voor jou interessant zullen zijn. We gebruiken je adres overigens voor geen enkel ander doeleinde dan deze e-mailnieuwsbrief, en je kunt je abonnement ook op elk gewenst moment weer opzeggen door simpelweg een antwoordmailtje op een LOGOS-aflevering te sturen.
Columns
Homèros' kleinkinderen
A la recherche du temps perdu
Ontmoeting tussen acteurs
Voorlezen leidt tot sigaren en... weinig vertalen
A narrow escape
reisbureau (tips voor cybertrips)
Je leest nu een column uit het archief van Logos, de tweewekelijkse bewegwijzering van deze stad.
Lees ook het artikel over Ryszard Kapuscinki's Reizen met Herodotos: Waar komen de schepen vandaan die je aan de horizon ziet?. Tevens kun je een fragment lezen uit het besproken boek.
Je kunt terugwandelen naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS, of vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS