Onbekommerd schrijft hij over stofzuigers en warenhuizen, koersen en fastfood-restaurants: Menno Wigman is duidelijk een stem van deze tijd. Hij staat midden tussen de gewone mensen die het haastige leven van alledag leiden. Een stoffige, geïsoleerde en romantische dichtersziel lijkt hij me niet; hij schuwt de alledaagse wereld op geen moment en neemt er zelf ook aan deel. We krijgen het idee dat hij met dezelfde dingen bezig is als de gemiddelde twintiger en in eenzelfde soort huishouden leeft als wijzelf, al heeft hij tegelijk het talent er van een afstand naar te kunnen kijken. Hij observeert die gemeenschappelijke wereld en weet het met een treffende pen op papier te zetten. Die zelfreflectie is om van te smullen en soms ook komisch - want hij kan confronterend zijn. Een van de scherpere gedichten, die meteen ook aangeeft dat Wigman ver van de hilariteit af staat en het leven juist vrij zwaar opvat, is de volgende:
Als deze liefdeloze eeuw heeft afgedaan,
Vertel me dan, wie krijgt de grootste bek,
Wie trekt het eerst zijn mes en maait
Zijn angsten weg? Wie vliegt de spiegel aan?
Wie zet Treblinka recht?
Ik droomde: uit de tuinen van Europa
Klonk gehijg van afgeleefde vijvers, op
Long Island zakten huizen door de straat,
De Tiber schudde bruggen van zich af,
China, Peru, alles had haast.
Ontknopingen genoeg, maar nergens een verband.
Of toch? Zou alles wat een ramp oproept
Je dichter brengen bij jezelf?
Ik weet het niet. Ik zie alleen
De horde die een horde baart,
De straten waar het ego ego kraait. En dwars
Door alle eeuwen de onpeilbare verveling
Van een dinsdag, het licht doet pijn,
De regen zeikt, er kruipen auto's langs
En dat zal alles zijn.
Naast die verfrissende, eigentijdse onderwerpkeuze spreekt ook de manier van schrijven me erg aan. Wigman gebruikt geen hoogdravende, experimentele constructies, maar schrijft alles behoorlijk rechttoe-rechtaan, helder en in duidelijke bewoordingen neer. Hij gebruikt goedlopende, hele zinnen die bij het voorlezen een heerlijk vlot ritme in zich blijken te dragen.
Zo nu en dan kom je 'op z'n postmoderns' een verwijzing tegen naar een bepaald element dat ergens uit onze cultuur vandaan is geplukt. Zoals in het laatste gedicht dat ik wilde aanhalen het citaat '¡no pasarán!' ('Ze komen er niet doorheen'!), wat de strijdkreet van de republikeinen in de Spaanse burgeroorlog was:
Hoeveel boeken moest ik lezen, hoeveel harten
Moest ik breken om het licht te zien
Dat vrolijk en pervers mijn ziel bevrijdt?
Ik zag met eigen ogen wat mijn handen deden
en hoe ik ook mijn spijt met inkt belaag:
geen hond die twee keer om een klaaglied vraagt.
Ik hang vijf zomermaanden voor mijn raam.
Ik verf mijn hart en leef zoveel ik kan.
En komt de herfst eraan: !no pasarán!
Deze impressie is geschreven door: Karlijn
Je bekijkt nu een gedichtenbundel in de poëziezaal van de Bibliotheek die gevestigd is op het Literaplein.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS