FILOGOPOLIS

de stad waar het woord de weg wijst

Fragment uit Hadrianus' gedenkschriften (Marguerite Yourcenar)

Meer en meer leken alle godheden mij op geheimzinnige wijze versmolten in een Al, eindeloos verscheiden emanaties, gelijke openbaringen van eenzelfde kracht: hun tegenstellingen waren slechts een modaliteit van hun overeenstemming.

De bouw van een tempel voor Al de Goden, van een Pantheon, was mij tot taak gesteld. De plaats ervoor had ik gekozen op de puinhopen van oude openbare baden, het Romeinse volk door Agrippa, de schoonzoon van Augustus, aangeboden. Niets restte er van het oude gebouw dan een overdekte zuilengalerij en de marmeren plaat van een opdracht aan het volk van Rome: deze laatste werd zorgvuldig en zoals zij was overgeplaatst in de gevelversiering van de nieuwe tempel. Het deed er weinig toe of mijn naam voorkwam op dit monument, dat een gedachte van mij was. Het behaagde mij integendeel dat een meer dan honderd jaren oud inschrift het vereenzelvigde met het begin van het keizerrijk, met het tot vrede gekomen bestuur van Augustus. Zelfs daar waar ik vernieuwde, voelde ik mij graag vóór alles voortzetter. Over Trajanus en Nerva heen, die officieel mijn vader en mijn grootvader waren geworden, hechtte ik mij zelfs weer vast aan die twaalf Caesars die door Suetonius zo mishandeld zijn: de helderheid van Tiberius, minus zijn hardheid, de geleerdheid van Claudius, minus zijn zwakheid, de smaak voor de kunsten van Nero, maar gezuiverd van alle dwaze ijdelheid, de goedheid van Titus, zonder zijn onbeduidendheid, de zuinigheid van Vespasianus, vrij van zijn belachelijke pingelzucht, vormden evenzovele voorbeelden die ik mijzelf voor ogen stelde. Deze vorsten hadden hun rol in de menselijke aangelegenheden gespeeld; het was mij voortaan beschoren, onder hun daden die te kiezen welke het van belang was voort te zetten, de beste te bestendigen, de slechtste te verbeteren, tot aan de dag dat andere mannen, meer of minder bevoegd, maar evenzeer verantwoordelijk, zich ermee zouden belasten, net zo met de mijne te doen.

De wijding van de tempel van Venus en Rome was een soort triomf die gepaard ging met wagenrennen, openbare vertoningen, uitdelingen van specerijen en reukwerken. De vierentwintig olifanten die de ontzaglijke blokken naar het werk gesleept en de dwangarbeid van de slaven naar rato verminderd hadden, wandelden, als levende monolieten, mee in de stoet. De datum die voor dit feest was gekozen, was de jaardag van de geboorte van Rome, de achtste dag, volgend op de Iden van april van het jaar achthonderd twee entachtig na de stichting van de Stad. De Romeinse lente was nooit zachter, nooit heviger, nooit blauwer geweest. Dezelfde dag had er, met een ernstiger en als het ware gedempte plechtigheid, een wijdingsceremonie in het binnenste van het Pantheon plaats. De te bedeesde plannen van de architect Apollodorus had ik zelf verbeterd. De kunsten van Griekenland als een simpele versiering, als een luxe te meer benuttend, was ik voor de eigenlijke bouworde van het gewrocht teruggegaan tot de primordiale en welhaast tot het fabelrijk behorende tijden van Rome, tot de ronde tempels van het oude Etrurië. Ik had gewild dat dit heiligdom van Al de Goden de vorm van de aard- en de hemelbol weergaf, van de massieve bol die de zaaisels van het eeuwige vuur in zich sluit, van de holle bol die alles bevat. Het is ook de vorm van die voorouderlijke hutten waarin de rook van de vroegste menselijke haardsteden door een opening in het dak ontsnapte. De koepel, gevormd van een harde en lichte lava die nog scheen deel te nemen aan het klauterspel van de vlammen, stond met de hemel in verbinding door een groot gat dat afwisselend blauw en zwart was. Deze open en geheime tempel was opgevat als een zonnewijzer. De uren draaiden in het rond om het midden van dit door Griekse handwerkslieden zorgvuldig geëffend plaveisel; de schijf van de dag rustte er als een gouden schild; de regen zou er een zuivere plas vormen; het gebed zou als een rook opstijgen naar dat ledige waarin wij de goden plaatsen. Dit feest was voor mij een van die uren waarin alles convergeert.

Foto: Een hoge hal, rijk gedecoreerd en met een kroonluchter aan het plafond. Je ziet verschillende verdiepingen, die allemaal een sierlijke balustrade hebben en uitkijken op de begane grond.

Je staat nu met een boek in handen in een van de leeszalen van de Bibliotheek die gevestigd is op het Literaplein.

Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.

Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.

Vraag de weg in het Tourist Office.