FILOGOPOLIS

de stad waar het woord de weg wijst

Afdeling Ierland

Overzicht romans uit Ierland

Banville, John - Schijngestalte artikel
Beckett, Samuel - Malone sterft impressie
Hetmann, Frederik - Volkssprookjes en legenden uit Ierland impressie
Joyce, James - Ulysses impressie
McCourt, Frank - De as van mijn moeder impressie
O'Connor, Joseph - Inishowen impressie
Power, Arthur - Gesprekken met James Joyce impressie
Shaw, George Bernard - Pygmalion impressie
Trevor, William - Ongelukszoekers impressie
Uris, Leon - Trinity impressie
Wilde, Oscar - The picture of Dorian Gray impressie

Overzicht boeken over Ierland

Ollevier, Ivan - Intieme wraak impressie

Schijngestalte

Geschreven door John Banville

Lees het artikel over Schijngestalte van John Banville

Verschenen in: 2002
Verschenen in: 2002
Oorspronkelijke titel: Shroud
Het artikel is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Malone sterft

Geschreven door Samuel Beckett

Een kamer, een kamer met een raam, een kast, een tafel en een bed, in het bed een man, een stokoude man, hij schrijft, hij schrijft met een stompje potlood, ergens in bed, tussen de lakens, de vast erg vieze lakens, moet er nog een zijn, een potlood, gelooft hij althans, daar kan hij dan mee verder, met dat andere potlood dus, wanneer dit stompje helemaal op is, maar nu nog niet, nu volstaat dit laatste restje grafiet nog, hij schrijft, in een oud schrift, een schrift waarvan hij eerst niet eens wist dat hij het had, toch lag het daar gewoon toen hij het nodig had, in de hoek tussen zijn andere schamele spullen, eer hij sterft, want dat zal hij, heel binnenkort zelfs, dat voelt hij, eer hij sterft wil hij trouwens nog een inventaris maken van die bezittingen, maar niet meteen, nee niet gelijk, want nu schrijft hij, over het licht dat binnenvalt door dat ene raam, dat misschien al jarenlang binnenvalt, in deze kamer waar hij misschien al net zo lang heeft gelegen, dat vale grijze licht dat geen tijdsverloop toont, nauwelijks enige verandering ondergaat naargelang van het seizoen of het uur van de dag, hoe het buiten is kan hij niet nagaan, opstaan kan niet meer, dus ligt hij, ligt hij schrijvend en vertellend, ja vertellend want dat doet hij ook nog, in stilte weliswaar, maar toch, hij vertelt schrijvend, over een jongen Saposcat wiens vader hem voorbestemd had voor de artsenij, of een ander nuttig beroep, die dromerige Saposcat, Homo SAPiens en 'skatos' klassiek Grieks voor drek in een naam verenigd, maar gelukkig heeft de man in bed nog zijn stok, de stok voorzien van een haakje waarmee hij voorwerpen naar zich toe kan halen, zo ook het schrift destijds, zo zie je maar, aan alles werd gedacht, opdat hij kan schrijven, en namen en verhalen aan het lijntjespapier kan toevertrouwen, alsof papier te vertrouwen zou zijn, en het de lezer er niet telkens weer toe dwingt er zijn of haar verhaal in te lezen, in dit schrift van de oude man en van Saposcat, maar ook van Macmann de niet-dokter, de niet-(nuttige-)mens zwervend door open regenvlaktes, die zich uitstrekkend in de modder graspollen omklemt, en op zijn buik ligt, ligt op de koele natte aarde, wakker wordt in een inrichting voor geesteszieken, en de cirkel schijnbaar rond maakt, want dat wil de lezer, ronde cirkels in gelinieerde schriften, Saposcat Macmann Malone die sterft, namen omvormen tot booglijnen daar ze een cirkel moeten vormen, toch is er hoogstens en dan nog met moeite een driehoek uit te puren, de naam in agonie kent geen doktersdromen of slijkerige velden, behalve het schrift en het stompje potlood waarmee hij nog steeds zijn inventaris moet optekenen, behalve die dingen en zijn stok neemt hij enkel nog de afwezigheid van de gerimpelde hand waar, de hand die geregeld een bord soep op tafel zette en zijn volle pot omruilde voor een lege, het wegblijven van die hand en het geleidelijk aanzwellen van de stank, de geur en de hoeveelheid tekens op het papier gestaag toenemend, vervreemd van het lichaam dat hen heeft afgescheiden, en wij buiten voor het raam, misschien vanaf de overzijde van de straat naar binnen spiedend, kunnen slechts wachten, wachten totdat het potlood uit zijn vingers glijdt.

Verschenen in: 1951
Verschenen in: 1951
Oorspronkelijke titel: Malone meurt

Door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Volkssprookjes en legenden uit Ierland

Geschreven door Frederik Hetmann

Het lijkt wel alsof de Ieren, geïsoleerd als ze waren van het Europese vasteland, onderdrukt door de Engelsen die hen hun taal oplegden en de vruchten plukkend van een inspirerend rijke Keltische geschiedenis, voorbestemd waren om een grote verteltraditie op te bouwen. Helemaal tot in de twintigste eeuw trokken er professionele sprookjesvertellers rond die de mensen op donkere avonden thuis vermaakten en ontroerden. Uiteindelijk zijn ze – hoe kan het ook anders in deze tijd van globalisering en technologische revoluties – toch weggedrukt door de radio en de televisie. Maar behalve volksentertainment heeft deze legendecultuur ook een ‘hoger’ doel gediend: het creëren van een saamhorigheidsgevoel onder de inwoners van een land dat naar onafhankelijkheid streefde. Zo rond de vorige eeuwwisseling was het verzamelen van sprookjes, zoals bijvoorbeeld ook W.B. Yeats dat deed, een ware, edelmoedige daad van chauvinisme.

Maar wat bieden ons nu die verhalen, buiten de maatschappelijke context ervan? De Duitse Frederik Hetmann maakte een zo breed mogelijke selectie om een uitvoerig scala aan sprookjes te kunnen serveren. Er zitten lange bij, met een complex plot dat je ervan achter je oren moet krabben, en uiterst korte die haast vertederend worden in hun eenvoud. Alle tussenvormen zijn ook aanwezig, uiteraard. Heldhaftige mannen worden in de epossen vaak niet gespaard; als het om de verovering van een vrouw gaat vloeit het bloed met liters tegelijk. Soms verloopt een legende echter verrassend lieflijk: dan hebben de vreedzame feeën voor de gelukkige omstandigheden zorggedragen. Want ja, de magie – een erfenis van de Keltische cultuur – blijft maar zelden achterwege. Heksen, klein kaboutervolk, oprijzende rammelskeletten, intelligente beesten; samen met de mensen bevolken zij het Ierse land. Wat de vertellingen echter heel opmerkelijk maakt, is dat het christendom hier klaarblijkelijk gewoon mee vermengd kan worden. Priesters leven samen met tovenaars in één koninkrijk.

Wat het lezen van Volkssprookjes en legenden uit Ierland evenwel nu vooral een feest maakt, is de alomtegenwoordigheid van droge humor. Wat dacht je bijvoorbeeld van een man die zo hard zucht, dat zijn stoel ervan in elkaar zakt. Of van de volgende belevenis tijdens een goede maaltijd bij een gastvrij gezin dat een huisschaap houdt:

“Ze gingen zelfverzekerd op de krukken om de tafel zitten en wilden juist een flinke portie opscheppen, toen plotseling het schaap opstond, een korte aanloop nam en met een sprong op tafel belandde, maar zo handig dat daarbij noch de ketel, noch de borden omgestoten werden. Dermot schudde kwaad het hoofd. Voor zij konden eten, moest het dier weer omlaag. De scherpe stank van het schaap hinderde hen.”

De vele drukfouten en andere onnauwkeurigheden neem je bij dit boek met gemak op de koop toe, want deze Ierse volkslegendes, fantasievol en aanstekelijk als ze zijn, gunnen je een glimp van een eigenzinnige cultuur die – treurig genoeg – langzaam aan het doodbloeden is.

Verschenen in: 1976
Verschenen in: 1976
De impressie is geschreven door: Karlijn

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Ulysses

Geschreven door James Joyce

Onleesbaar zeggen velen, maar slechts weinigen hebben het daadwerkelijk aangedurfd om het lijvige boek open te slaan. Dat is erg jammer, omdat Joyce' meesterwerk, dat één dag - te weten 16 juni 1904 - in Dublin beschrijft, eenieder menig uurtje leesplezier kan verschaffen. Toch baadt deze modernistische herschepping van Homèros' Odysseia tegenwoordig in een haast mystiek schijnsel van ondringbaarheid en onaardse complexiteit. Het cultsfeertje eromheen wordt overigens mede in stand gehouden, zoniet zelfs opgepookt, door de selecte gezelschappen van de zogenaamde Joyceans die elkaar de loef proberen af te steken met hun weetjes over JAJ (James A Joyce), en die wereldwijd op 16 juni ofwel Bloomsday, genoemd naar het hoofdpersonage en de advertentieverkoper Leopold Bloom, samenscholen om uit Ulysses voor te lezen. De hoogste tijd dus dat wij, gewone stervelingen, deze grootse roman herontdekken, vooral aangezien we sedert een tiental jaar kunnen beschikken over een veel bejubelde nieuwe Nederlandse vertaling van Paul Claes en Mon Nys.

Hoewel de personages die in de 18 episodes van Ulysses de revue passeren nog nauwelijks te tellen zijn, ontspint de intrige zich toch in hoofdzaak rond drie figuren: Mr. Bloom, zijn begerenswaardige echtgenote en zangeres Molly, en ten slotte Stephen Dedalus, een jonge door godsdienstwaanzin getergde intellectueel en naar verluidt Joyce' alterego. Net als zijn oud-Griekse prototype Odysseus doolt Bloom rond en moet hij heel wat "gevaren" trotseren alvorens weer naar zijn vrouw, die thuis op hem wacht, te kunnen terugkeren. Maar sinds de Trojaanse oorlog en de Antieke helden zijn de tijden sterk veranderd, en ook de ruimte is niet dezelfde gebleven. Bloom zwerft niet langer over de zeven wereldzeeën, maar door de straten van het provinciale Dublin; hij moet niet meer vechten tegen de vervaarlijke cycloop Polyfemos, maar op de vlucht slaan voor een dronken Ierse nationalist die hem wegens zijn joodse roots een bierpul naar het hoofd slingert; was Penelopeia haar man destijds twintig jaar lang trouw en hield ze door middel van listen alle vrijers op een veilige afstand, thans bezoedelt Molly nog geen half etmaal nadat Bloom de deur uit is het echtelijke bed met haar minnaar Blazes Boylan. Bovendien heeft Stephen Dedalus slechts weinig gemeen met de dappere Telemachos die zijn vader terzijde stond om bij diens thuiskomst op Ithaka de brutale vrijers te verdelgen; Bloom heeft zelf geen mannelijke erfgenaam meer, nadat zijn zoontje Rudy reeds elf dagen na de geboorte stierf, en bijgevolg ziet hij in Stephen, die hij op zijn tocht ontmoet, nog louter de wensdroom van de zoon die hij had kunnen hebben en wil hij zich daarom over de verdwaalde jongen ontfermen.

Maar Joyce is er hier niet alleen in geslaagd een trefzeker portret neer te zetten van de westerse maatschappij, vol anonieme eenzame individuen in een halsstarrig zwijgende stad; hij heeft tevens een erg geestig en humoristisch epos gecreëerd waarin de mens ondanks alles de absurditeit afzweert en onverminderd naar zingeving zoekt. Daarenboven is het hem als geen ander gelukt de epiek op formeel vlak radicaal en definitief te vernieuwen. Dit leverde ondermeer de techniek van the stream of consciousness op, waarbij iemands gedachten zo getrouw mogelijk - en dus onsamenhangend, associatief, ongestructureerd - worden weergegeven. Als lezer zetel je als het ware ergens in Blooms hersenschors, wanneer je met hem door Dublin kuiert en naar de etalages en de voorbijgangers kijkt. Joyce' hang naar parodie laat geen enkel taalregisiter of literair genre ongemoeid. Het ene ogenblik bevinden we ons dan ook in de ridderroman, met Arthur en zijn dienaren gezeten aan de Ronde Tafel (Hoofdstuk 14), het volgende moment staan we alweer op de planken (Hoofdstuk 15) of steken we de draak met het vakjargon van de exacte wetenschappen (Hoofdstuk 17). Het is deze overdaad aan thema's, referenties en stemmen die Ulysses tot een overweldigende ervaring maken en tot één van die zeldzame boeken waar je alleen nog maar naar terug wilt.

Verschenen in: 1922
Verschenen in: 1922
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

De as van mijn moeder

Geschreven door Frank McCourt

Frank McCourt wordt in 1930 geboren in New York, als zoon van Ierse ouders. De crisisjaren hebben hen stevig te pakken, en bovendien is zijn vader aan de drank waardoor hij het gezin nauwelijks kan onderhouden. Al gauw reizen ze daarom per boot terug naar Ierland, in de hoop daar een beter bestaan te kunnen opbouwen.

In De as van mijn moeder doet Frank McCourt verslag van zijn Ierse jeugdervaringen in Limerick, aan de rivier de Shannon, waar ze terechtkomen in de sloppenwijken van de stad. In de pas uitgeroepen republiek Ierland blijkt het leven namelijk geenszins beter te zijn dan in New York. Als je de openingspagina van het boek begint te lezen, krijg je al direct een fikse indruk van wat je verder nog te wachten staat:

"Als ik terugkijk op mijn jeugd, vraag ik me af hoe ik het eigenlijk heb overleefd. Uiteraard was het een beroerde jeugd: aan een gelukkige jeugd valt geen eer te behalen. Erger dan de doorsnee ongelukkige jeugd is de ongelukkige Ierse jeugd, en de katholieke ongelukkige Ierse jeugd spant de kroon."

Niet dat de autobiografie vol staat met emotionele passages van een sentimentele oude man, integendeel. Frank McCourt schrijft juist treffend en rechtdoorzee over de praktische beslommeringen die zijn jeugd in schrijnende armoede kenmerkten. Over hoe het vuur steeds warm te houden bijvoorbeeld, als je geen geld voor kolen hebt. De pure wanhoop daarover drijft het gezin op een gegeven moment zelfs tot het stukje voor stukje afbreken van een houten wand in hun huis. Of over hoe kleine Frankie zijn vader achterna moest naar het café, om te zorgen dat hij zijn pasverdiende loon - zo broodnodig om de honger van hem en zijn broertjes te stillen - niet met Guinness zou verdrinken.

McCourts schrijfstijl is erg beeldend, en zorgt ervoor dat het miserabele Ierse milieu in al zijn facetten tot leven wordt gewekt: de stank van een toilet waar een hele steeg gebruik van maakt, het geluid van de liedjes over de Ierse onafhankelijkheid die vader Malachy zingt als hij lallend thuiskomt en de manier waarop hij dan zijn kinderen uit bed trommelt om ze te laten marcheren en ze te laten beloven hun leven te geven voor Ierland, de klefheid van het allesdoordrenkende vocht in een land waar het haast onophoudelijk regent, ...

Tussen al die hopeloosheid zit ook steeds weer de Ierse geschiedenis en cultuur verweven. Zo is het geloof in de katholieke kerk alomtegenwoordig, maar tegelijkertijd blijkt de hypocrisie ervan overduidelijk wanneer Frank in zijn versleten kleding geweigerd wordt als misdienaar en niet toegelaten wordt tot een christelijke middelbare school. En de Engelsen vervloekt iedereen, maar tegelijkertijd zijn de Ieren ze dankbaar als de oorlog uitbreekt en veel Ierse mannen in de fabrieken in Engeland mogen komen werken. De misdaden van Hitler betekenen op die manier voor veel arme gezinnen hun redding in nood.

Ook Malachy vertrekt naar Engeland, maar voor zijn gezin betekent dit eerder de ondergang: want wanneer alle andere families op zaterdag hun telegram met opgestuurd geld krijgen, blijft die voor de familie McCourt altijd uit.

Nee, voorspoed heeft Frank McCourt niet gekend in zijn jeugd. Als negentienjarige vooruitstrevende puber ziet hij, net als zijn ouders dat een aantal jaren eerder deden, de oplossing voor zijn problemen in een overzees leven: hij vaart weer terug - maar nu alleen - naar zijn geboorteland Amerika.

Verschenen in: 1996
Verschenen in: 1996
De impressie is geschreven door: Karlijn

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Inishowen

Geschreven door Joseph O'Connor

Wanneer een schrijver ervoor kiest in een moderne roman één van zijn hoofdpersonages met het besef op te zadelen dat zijn of haar einde nabij is, dat de kanker over een paar maanden het pleit zal beslechten, veroordeelt hij zichzelf bij voorbaat tot een hachelijke evenwichtsoefening tussen, aan de ene kant, de exploratie van de menselijke doodsangst en, aan de andere kant, het uitgekauwde melodrama. Daarvan moet een ervaren auteur als Joseph O'Connor zich terdege bewust zijn geweest, maar desondanks besloot hij het waagstuk te ondernemen. Behalve Martin Aitkin, een Dublinse alleenstaande politieagent wiens privéleven een al even naargeestige aanblik biedt als zijn smerige huis waar de paddenstoelen onder de bank groeien, volgen we in Inishowen namelijk ook Ellen Donnelly, een New Yorkse literatuurlerares die de dokters hebben opgegeven. Ellens echtgenoot Milton Amery, gereputeerd plastisch chirurg, levert de derde verhaallijn - of moet ik zeggen de tweede, nadat de eerste twee zijn samengevloeid?

Gevloeid is misschien niet het juiste woord, want erg soepeltjes en zonder merkwaardige toevalligheden verloopt het allemaal niet. Ellens achternaam verraadt al haar Ierse origine, en inderdaad is zij één van die adoptiekinderen die in de VS verzeild zijn geraakt, omdat ze in het nog oerkatholieke Ierland van kort na de oorlog niet opgevoed mochten worden door hun ongehuwde tienermoeders en een schandvlek vormden voor het familieblazoen. Sinds de jaren tachtig is Ellen op zoek naar haar biologische moeder, afkomstig uit Inoshowen, een ruig Noord-Iers schiereiland dat tot de provincie Donegal behoort, maar rond de kerstdagen van 1994 - de week die de roman beschrijft - vertrekt ze, zonder iemand over haar reis in te lichten, naar haar geboorteland, vastbesloten haar moeder op te sporen. Op straat in Dublin zakt ze evenwel, gekweld door hevige pijn, in elkaar. Aangezien ze geen papieren bij zich draagt, wordt de politie erbij gehaald en verschijnt Aitken ten tonele. Ondertussen tracht Milton in The States zijn gedachten te ordenen en de verdwijning van zijn vrouw te bevatten. In passages die thematisch nauwe verwantschap vertonen met Grondahls Stilte in oktober malen taferelen uit zijn mislukte huwelijk en bedenkingen over zijn talrijke buitenechtelijke escapades door zijn hoofd. Met behulp de luttele aanwijzingen die hij heeft, ontdekt hij ten slotte samen met zijn beide puberende kinderen waarheen Ellen op weg moet zijn. Langzaamaan wordt het duidelijk dat de verschillende lijnen elkaar slechts op één punt kunnen kruisen, Inishowen: niet alleen werd Ellen er geboren, ook ligt Martins verongelukte zoontje er begraven.

Naast de drie reeds genoemde hoofdpersonages speelt ook Ierland een niet te verwaarlozen rol; mooie stadsbeelden van Dublin, beschrijvingen van het bosrijke platteland en reflecties over "de Ierse kwestie" rijgen zich aaneen. Wat dit laatste onderwerp betreft, valt met name het zorgvuldig uitgetekende contrast op tussen de artitificieel aandoende, romantische haat die Ellen tegen de Britten koestert - als het ware een verplicht onderdeel van de door haar geclaimde Ierse nationaliteit - en het cynische pragmatisme van Martin, die al te dikwijls na een bomaansalg de stoffelijke resten van onschuldige slachtoffers, geofferd voor de republikeinse zaak, heeft helpen bergen.

Zoals eerder gezegd speelt O'Connor een gevaarlijk spel, balancerend op de rand van de sentimentaliteit, hetgeen nog eens versterkt wordt door de setting van de kersttijd, op zich al een periode die stijf staat van de geïnstitutionaliseerde, valse emoties. Niettemin weet hij de acrobatentoer te volbrengen, mede dankzij zijn kwinkslagen en geestige bijfiguren. Maar hoewel dit boek knap geconstrueerd is en O'Connors stijl bij tijd en wijle opflikkert in originele beeldspraak, wint hij toch niet op alle fronten. Gelet op de ambitieuze inzet van dit werk moeten de geopperde, levenbeschouwelijke vragen globaal gezien te veel wijken voor anekdotische banaliteiten die louter een thrillerachtige suspense voeden. Maar gelukkig behoedt O'Connors eigenheid hem voor erger.

Verschenen in: 2000
Verschenen in: 2000
Oorspronkelijke titel: Inishowen
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Gesprekken met James Joyce

Geschreven door Arthur Power

In dit merkwaardige boek brengt de Ierse kunstcriticus Arthur Power, die zijn geboorteland op jeugdige leeftijd verliet, verslag uit van de gesprekken die hij gedurende de jaren twintig en dertig met James Joyce in Parijs voerde. In die dagen behoorde hij namelijk tot de 'happy few' in wie de meester, die ofschoon op het hoogtepunt van zijn literaire productiviteit een erg teruggetrokken leven leidde, kennelijk groot vertrouwen stelde en die zodoende geregeld bij de familie Joyce over de vloer kwamen. Het gedetailleerde portret dat Power van Joyce schetst, toont een vriendelijke maar niet erg spraakzame man, die zich ten opzichte van onbekenden gereserveerd, zelfs schuchter gedroeg en, hoewel vasthoudend wat betreft zijn werkschema en bepaalde dagelijkse rituelen - zo wilde hij het liefst iedere avond in hetzelfde restaurant dineren -, toch geplaagd werd door rusteloosheid, waardoor hij zelden langer dan een paar maanden op hetzelfde adres bleef wonen.

Het merendeel van de opgetekende gesprekken handelen vanzelfsprekend over literatuur, daar Joyce blijkbaar weinig belangstelling koesterde voor andere kunstvormen (Power vertelt ondermeer dat het enige schilderij dat hij ooit in Joyce' flat zag hangen een reproductie van Vermeers Gezicht op Delft was, een stadstafereel dus, hoe kon het ook anders?). Daarin komt met name de diametrale tegenstelling tot uiting tussen aan de ene kant de romanticus Power, het prototype van de toen gangbare, jonge bohémien die met Poesjkin, Toergenjev en Synge dweept, en in kunst naar schoonheid zoekt en bewonderenswaardige figuren, en aan de andere kant de voorman van het nieuwe realisme Joyce, die veeleer Dostojevski en Ibsen als zijn grote voorbeelden aanhaalt, juist de ontledende werking van literatuur onderstreept en zopas het boek van zijn "rijpheid" Ulysses heeft voltooid, waarmee hij, zo zegt hijzelf zonder verwaandheid, "een nieuwe weg heeft geopend" naar de verborgen, duistere krachten die het leven voeden.

Maar dit is niet alleen een pareltje voor Joyce-liefhebbers, want Power heeft ons met zijn analytische blik een schitterend uitzicht verschaft op het magische Parijs uit die jaren, waar alles en iedereen die enige faam genoot in de kunstwereld langs de boulevards flaneerde, op de terrasjes van prestigieuze cafés als Le Dôme, La Rotonde of Les deux magots de uren zoek maakte met felle discussies en liters wijn, en in schemerige ateliers in achterafstraatjes dansfeestjes en braspartijen organiseerde. Het Parijs uit de dagboeken van Anaïs Nin, waar artiesten er bij het opstaan geen flauw idee van hadden hoe ze die dag aan eten zouden geraken, zodat geïnspireerde extase er vaak samenging met zwarte armoede en ellende. Maar hoe dan ook een tijd waarvan je, gewild of niet, gaat dromen.

Verschenen in: 1974
Verschenen in: 1974
Oorspronkelijke titel: Conversations with James Joyce
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Pygmalion

Geschreven door George Bernard Shaw

Pygmalion, de mythologische beeldhouwer uit Ovidius’ Methamorfosen, schiep een stenen dame waar hij zo van onder de indruk was dat hij Aphrodite vroeg om het kunstwerk tot leven te wekken. Zo geschiedde, en Pygmalion trouwde met zijn zelfgemaakte vrouw Galatea. Iemand creëren, naar je hand zetten en volgens je eigen idee tot leven wekken is een thema dat al vele auteurs heeft geïnspireerd. Richard Powers schreef bijvoorbeeld een moderne versie waarin hij de kunstenaar verving door een wetenschapper in de artificiële intelligentie, Galatea 2.2. Al vele decennia eerder, om precies te zijn in 1913, publiceerde George Bernard Shaw zijn beroemde theaterstuk Pygmalion.



We bevinden ons daarmee in het Londen uit de beginperiode van de twintigste eeuw – Shaws eigen woonplaats sinds hij als jonge man uit Dublin was vertrokken. De stijve kakheren en dames zijn alomtegenwoordig in het centrum van de stad en benadrukken hun stand met heel hun doen en laten, onder andere met hun keurig verzorgde spraak. En de fonetiek is precies wat professor Henry Higgins, één van de hoofdpersonen, uitermate bezighoudt: het is niet alleen zijn werk maar ook zijn hobby. Wanneer hij op een zekere dag ergens voor de regen staat te schuilen, en hij een volks bloemenmeisje over haar waar hoort kletsen, fascineert hem dat dan ook ontzettend. Geen correcte zin valt uit haar mond te horen, en haar accent is zo extreem plat dat hij direct zijn opschrijfboekje erbij pakt om haar uitingen vol enthousiasme te transcriberen.



Professor Higgins, die over dit interessante fenomeen met een collega aan de praat raakt, wedt dat hij de spraak van dit arme straatmeisje zodanig kan opkalefateren dat ze uiteindelijk voor een hertogin kan doorgaan. De twee heren gaan met haar aan de slag, en het blijkt een pittige maar uitdagende klus die uiteindelijk wonderwel slaagt: Eliza Doolittle, want zo heet ze, klinkt niet alleen als een dame uit de high-society, maar gedraagt zich er ook perfect naar.



Hoewel Eliza nu wel van een nette betrekking in een bloemenzaak verzekerd kan zijn, zit haar transformatie haar toch niet echt lekker. Meneer Higgins, een man die zich weinig gevoelig betoont, doet haar namelijk als een stuk vuil weer van de hand. Zijn experiment is klaar, hij heeft een mooie prestatie verricht, en zij is niet meer nodig. Enig respect voor haar inspanningen en haar knappe resultaat lijkt hij niet te kunnen opbrengen, met als gevolg dat zij zich niet het waardige, onafhankelijke meisje kan voelen, dat ze lijkt te zijn.



In die knellende relatie lijkt een belangrijke kern van Shaws werk te liggen: kritiek op de vastgeroeste en gecompliceerde Engelse rangen- en standenmaatschappij. Maar behalve dat is Pygmalion ook een buitengewoon geestig stuk om naar te luisteren vanwege het subtiele spel van klanken en woorden. Daarom loont het ook heel erg de moeite om een audioversie proberen te pakken te krijgen, want het stuk toont zich op zijn best wanneer je alle spraaknuances van talentvolle auteurs tot je kan nemen.

Verschenen in: 1916
Verschenen in: 1916
De impressie is geschreven door: Karlijn

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Ongelukszoekers

Geschreven door William Trevor

Wanneer eind april 1916 de Paasopstand uitbreekt en The Volunteers onder leiding van Patrick Pearse en James Connolly in Dublin de Republiek uitroepen, leidt de kleine Willie Quinton, die dan amper acht jaar oud is, nog een vreedzaam leventje op een roemrucht landgoed nabij Cork. Als evenwel blijkt dat een van de werknemers op de maalderij van zijn vader voor de Engelsen spioneert en deze man op een ochtend opgeknoopt aan een boom wordt aangetroffen, zet de idylle reeds haar laatste wankele passen. Willie's ouders zullen het vanwege hun nationalistische sympathieën moeten ontgelden. De strafexpeditie laat niet lang op zich wachten: terwijl de eeuwenoude hoeve in lichterlaaie staat en de vlammen de nachtelijke hemel schroeien, schieten de militairen behalve Willie's vader en twee jongere zusjes ook nog een paar leden van het personeel meedogenloos neer. Noodgedwongen moet Willie samen met zijn moeder en de huishoudster, die als bij wonder de dans zijn ontsprongen, naar de grote stad, en dus Cork, verhuizen. Maar kun je het bestaan hoegenaamd nog verdragen, als je halve gezin op zo'n barbaarse manier over de kling is gejaagd? Aanvankelijk verdringt Willie de waarheid nog, en zoekt hij zijn heil op de kostschool waar hij vanaf zijn twaalfde verblijft. Maar ook hij ziet zijn gebroken moeder, als gevolg van haar toenemende drankmisbruik, almaar verder aftakelen, en wanneer hij een paar jaar later ook nog zijn Engelse nichtje Marianne ontmoet, die zijn eerste jeugdliefde wordt, barst het weggedrukte verleden als een moorddadig ettergezwel in hem open...

Dit is een boek dat je weer eens doet beseffen dat in Ierland geschiedenis nooit dode letter kan zijn, maar een tastbare realiteit blijft die je elke dag opnieuw hardhandig wakker probeert te schudden. Althans, dat gold zeker nog voor Trevors generatie die de onafhankelijkheidsstrijd nog had meegemaakt. Vooral in de eerste helft van de roman slaagt de schrijver er ook in deze van historiek beladen sfeer uit het Interbellum op te roepen. Zijn ongecompliceerde stijl draagt er tevens toe bij dat de personages en het plattelandsdecor overtuigend worden neergezet. Jammer genoeg gaat het in het tweede deel van het boek wel eens mis, en blinken bepaalde passages uit door hun middelmatigheid en oppervlakkige analyses. Zo had de auteur, wat mij betreft, bijvoorbeeld de episode over Mariannes verblijf in Zwitserland aan de privéschool van een oude, handtastelijke professor evengoed kunnen schrappen. Je krijgt dan ook meermaals de indruk dat de oorspronkelijke opzet om de eigenaardige levensloop van twee mensen, Willie en Marianne, volledig in kaart te rbengen, uiteindelijk Trevors krachten tebovenging. Hoe dan ook, een ambitieuze vertelling die je niet alleen in de burgeroorlog stort, maar je ook doet verlangen om op het vliegtuig te stappen naar het prachtige, groene Zuid-Ierland.

Verschenen in: 1983
Verschenen in: 1983
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Trinity

Geschreven door Leon Uris

De Drie-eenheid, een vernuftige constructie waardoor één ondeelbare God drie personen kan omvatten, te weten de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, vormt een hoeksteen van het christendom. Deze fundamentele leerstelling die zowel katholieken als protestanten verkondigen, had ervoor kunnen zorgen dat deze geloofsgemeenschappen een gevoel van saamhorigheid ontwikkelden of, op z'n minst, elkaar zonder veel moeite tolereerden. Maar wie de geschiedenis sinds de Reformatie bestudeert, weet dat de theorie zoals zo vaak mijlen ver afstaat van de praktijk. In ettelijke, bloedige godsdienstoorlogen hebben ze elkaar naar het leven gestaan en systematisch gedecimeerd. De historische evolutie van de Lage Landen, en de uiteindelijke afscheiding van de Zeven Provinciën van het Spaanse, katholieke Vlaanderen kunnen als illustratief voorbeeld dienen.

In onze gewesten mag de strijd dan reeds lang bekoeld zijn, in Noord-Ierland zijn tot voor kort de vijandelijkheden tussen "paapsen" en "orangisten" aan de orde van de dag geweest. Relletjes bij de jaarlijkse Oranjemarsen, opstootjes bij katholieke scholen in protestantse wijken, het IRA dat decennia lang loyalistische doelwitten viseerde, ... Maar kan zo'n verziekte, moorddadige sfeer louter voortspruiten uit religieuze geschillen? Leon Uris laat in zijn vuistdikke roman Trinity zien dat er wel heel wat meer twistappels in Northern-Ireland te vinden zijn.

Seamus O'Neill, een dichter en journalist met republikeinse sympathieën, schetst - ofschoon op sommige plaatsen afgelost door een alleswetende verteller - de woelige levensloop van zijn vroegere buurjongen en revolutionair, Conor Larkin. Als zoons van arme, katholieke pachters groeien ze op in een klein dorpje in het graafschap Donogal aan het einde van de negentiende eeuw. Hoewel Conor volgens de traditie voorbestemd lijkt te zijn om het landbouwbedrijfje van zijn vader over te nemen, hunkert deze schrandere knaap toch vooral naar studie en boeken. Terwijl zijn onlesbare dorst naar kennis gestimuleerd wordt door een vrijdenkende onderwijzer die hem zelfs opruiende literatuur in handen speelt, kan hij bij zijn ouders, die nog de grote hongersnood hebben meegemaakt en derhalve al lang blij zijn de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, op bitter weinig steun rekenen. Tegelijkertijd maken we kennis met twee protestantse families: ten eerste de gehaaide zakenman Frederick Weed, die in Belfast een florerende scheepswerf runt en bovendien luxueuze privétreinen laat bouwen, met zijn aantrekkelijke zij het ook al even doortrapte dochter Caroline, die in Parijs als schildersmodel de smaak te pakken heeft gekregen van een geëmancipeerd bestaan; ten tweede het aristocratische geslacht Hubble, de graven van Foyle en grootgrondbezitters in Ulster. Wanneer Caroline Weed en de jonge Lord Roger Hubble besluiten tot een huwelijk, lijdt het geen twijfel meer dat deze gezworen unionisten alles in het werk zullen stellen om het welvaartspeil in Ulster te verhogen, zodat het niet ten prooi zal vallen aan de republikeinse koorts die dan reeds volop het zuiden teistert.

Als vormden ze een drievuldigheid, zowel de Larkins, de Hubbles als de Weeds blijken over het lot van Noord-Ierland te moeten beschikken. De complicaties stapelen zich op en de onderlinge confrontaties kunnen daarom niet lang op zich laten wachten. Zo probeert Conor in het rugbyteam van Sir Frederick te infiltreren en onder deze dekmantel de wapensmokkel voor de Iers Republikeinse Broederschap vanuit Engeland te organiseren.

Uris heeft weer eens aardig wat researchwerk verricht, alvorens hij aan deze saga kon beginnen. Met name in het eerste deel, waarin het ruwe boerenleven beschreven wordt dat op heel natuurlijke wijze het katholicisme aan het oeroude volksgeloof weet te paren, getuigen de scènes van het grenzeloze inlevingsvermogen van de schrijver. Wie Uris' karakterloze stijl en brave narratieve structuren voor lief wil nemen, kan in dit boek dan ook een boeiend sociologisch en psychologisch verslag aantreffen van de verscheurde Ierse maatschappij omstreeks de eeuwwisseling.

Verschenen in: 1976
Verschenen in: 1976
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

The picture of Dorian Gray

Geschreven door Oscar Wilde

Dorian Gray is een charmante, rijke en jonge Engelsman, die betoverend knap is. Hij staat model voor de schilderijen van zijn vriend Basil Hallward, die ook zo van hem onder de indruk is en de mooiste portretten maakt. Eén daarvan is zelfs zo'n meesterwerk geworden, dat Dorian Gray het betreurt dat het portret zo mooi blijft, terwijl zijn eigen gezicht alsmaar zal verouderen. Hij doet een wens die tot zijn grote verbazing uitkomt: zijn gezict zal eeuwig jong en mooi blijven, terwijl alleen op het portret de tekenen van ouderdom en gewetenswroeging te zien zijn. Vanaf dat moment begint Dorians dubbelleven, waarbij hij in de ogen van de samenleving een nette gentleman blijft, maar het portret, veilig opgeborgen in een afgesloten zolderkamer, toont in de gelaatstrekken de zwaarte van zijn foute daden en de aftakeling van zijn ooit zo perfecte en onschuldige ziel.
Heerlijk, dit boek dat in de tijd dat het gepubliceerd werd (in de periode dat koningin Victoria over Engeland regeerde) als zo'n schandaal gezien werd, maar dat je nu haast grappig kunt noemen. Heerlijk ook, die taal waarin het boek geschreven is (lees, zo mogelijk, de Engelse versie!). Vooral de cynisch-filosofische opmerkingen van Lord Henry, Dorian Grays vriend die zijn leven ontzettend heeft beïnvloed, zijn briljant. Kortom, Het portret van Dorian Gray is een mooi boek. En tijdloos: het zal altijd zo mooi blijven.

Verschenen in: 1891
Verschenen in: 1891
De impressie is geschreven door: Karlijn
Boek gelezen: juli 2004
Nederlandse vertaling: Het portret van Dorian Gray
Links extra muros (gerelateerde websites):
The picture of Dorian Gray is gratis online leesbaar

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Intieme wraak

Geschreven door Ivan Ollevier

Na dertig jaar "troubles", zoals de burgeroorlog in Noord-Ierland eufemistisch wordt genoemd, maakt VRT-journalist en Ierlandspecialist Ivan Ollevier de schrijnende balans op. Hij poogt in zijn overzichtwerk alle partij een stem te geven en praat zowel met familieleden van slachtoffers aan katholieke en protestante zijde, politieke gevangenen, (ex-)paramilitairen van de IRA en de UDF (Ulster Defence Force, de loyalistische tegenhanger daarvan), als met Ierse en Britse politici, onder wie ook ex-premier John Major die mee de basis legde voor het Goede Vrijdag-vredesakkoord. Op lucide wijze ontrafelt Ollevier het chaotische kluwen van namen, feiten, gruwelijke beelden en data, dat het begrip Northern-Ireland bij de gemiddelde lezer intussen moet oproepen.

Wie zoals wij afgelopen zomer over Donegal Square in Belfast kuiert, het centrale groene plein in het hartje van de stad, merkt tegenwoordig niets meer van de religieuze en sociale spanningen die hier in de afgelopen decennia het leven aan duizenden mensen hebben gekost. Eind jaren negentig zag Ollevier de paramilitairen nog in de buitenwijken patrouilleren, minder opvallen dan voor het staakt-het-vuren, dat wel, maar ze waren toch nog niet uit het straatbeeld verdwenen. In de loop van de voorbije jaren is de situatie in Ulster duidelijk verder gestabiliseerd en de vrede lijkt vastere grond onder de voeten te hebben gekregen, maar met Ollevier kun je je wel terecht afvragen of de wapens werkelijk opgeborgen zijn. Heeft het vredesproces kans op slagen, zolang de ontwapening van de paramilitairen en andere terroristische groeperingen geen aanvang neemt?

Verschenen in: 2001
Verschenen in: 2001
De impressie is geschreven door: Piet

Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank

Foto: Een hoge hal, rijk gedecoreerd en met een kroonluchter aan het plafond. Je ziet verschillende verdiepingen, die allemaal een sierlijke balustrade hebben en uitkijken op de begane grond.

Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus

Je staat nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek die gevestigd is op het Literaplein.

Je kunt terugwandelen naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS, of vraag de weg in het Tourist Office.