Fontane, Theodor - Stechlin artikel
Goethe, J.W. von - Faust impressie
Goethe, J.W. von - Het lijden van de jonge Werther impressie
Haffner, Sebastian - Het verhaal van een Duitser impressie
Hermann, Judith - Zomerhuis, later impressie
Hoffmann, E.T.A. - Het duivelselixer impressie
Hofmann, Gert - De filmverteller impressie
Kehlmann, Daniel - Het meten van de wereld impressie
Mann, Thomas - De dood in Venetië impressie
Mann, Thomas - De Toverberg artikel
Mercier, Pascal - Nachttrein naar Lissabon impressie
Schlink, Bernhard - De voorlezer impressie
Sebald, W.G. - De ringen van Saturnus impressie
Süskind, Patrick - Het parfum impressie
Timm, Uwe - De ontdekking van de curryworst impressie
Wolf, Christa - Kassandra impressie
Geschreven door Theodor Fontane
Lees het artikel over Stechlin van Theodor Fontane
Verschenen in: 1898
Het artikel is geschreven door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door J.W. von Goethe
Het laatste bedrijf van Goethes beroemde tragedie toont ons Dr. Faust als machtig heerser over een enorm gebied dat hij zopas op de zee heeft veroverd. Om dit gigantische indijkingsproject te realiseren heeft hij werkelijk alle middelen te baat genomen, en daarbij de meest meedogenloze praktijken geenszins geschuwd: terwijl Mefistofeles, niemand minder de duivel zelf en Fausts helper, als piraat de oceanen afschuimt op zoek naar buit waarmee de werkzaamheden bekostigd kunnen worden, komen onschuldige burgers om in de vlammen wanneer hun onteigende woning in de as wordt gelegd. Alles moet wijken voor Fausts grootheidswaanzin. In zijn ogen betekent deze drooglegging immers de ultieme tour de force, ordening aanbrengen in de grilligste en meest explosieve natuurlijke energiestromen, de verwezenlijking van het ware Verlichtingsideaal dat de mens het recht toekent de wereld door middel van rede en techniek aan zich te onderwerpen. In het voorlaatste bedrijf heeft Faust zijn inpolderingsplan aldus aan zijn helse handlanger ontvouwd:
"Daar viert de vloed zijn triomferend feest,
dan ebt ze af, het blijkt voor niets geweest.
Zoiets bezorgt mij menige koude rilling,
de mateloosheid van die krachtverspilling!
Maar tegelijk word ik erdoor bevleugeld:
ik vecht zolang tot ik hem heb beteugeld.
(.)
Dit is het puurst genot dat ik wil smaken:
de zee haar grootse rijk afhandig maken
en door haar terug te dringen, in te snoeren,
mijn deel te eisen van haar zilte vloeren.
Ik zag alles al voor me, stap voor stap;
jij zult mij moeten helpen, zet je schrap." (p. 407)
De triomfator die we hier aan het woord horen, is vroeger een kamergeleerde geweest die, na alle denkbare academische disciplines te hebben beoefend, uit louter onvrede met zijn bestaan een onverbrekelijk pact met Mefistofeles heeft gesloten. Volgens dit verbond zal de duivel hem zijn leven lang bijstaan bij het verwerkelijken van zijn stoutste dromen, op voorwaarde dat Faust na zijn dood de helleprins zal toebehoren. Mefistofeles houdt inderdaad woord en laat Faust de meest doldrieste dingen zien en beleven: behalve verschillende luchtreizen door ruimte en tijd, een drinkgelag met studenten in Leipzig, een heuse heksensabbat en een Klassieke Walpurgisnacht in de Pharsalische velden vol mythologische helden en monsters, een Venetiaans carnavalsfeest aan het keizerlijke hof, staan bovendien twee liefdesaffaires op het programma respectievelijk, in het eerste deel, met de lieve naïeve Gretchen wier hele familie door haar bezeten minnaar uit de weg wordt geruimd, en, in het tweede, met - jawel - Helena van Troje bij wie Faust zelfs een zoon, Euforion genaamd, verwekt. Maar wat uiteraard reeds te verwachten viel, ondanks deze overgave aan steeds excentriekere ervaringen, deze onderdompeling in het rijk van magie en mythe, raakt de doctor nooit volledig verzadigd en ambieert hij telkens weer datgene wat zich zijns inziens nog verder, dieper en hogerop moet bevinden. De uiteindelijke krachtmeting tussen de kennis en de natuur kan daarom ook niet uitblijven. Het is deze hemeltergende confrontatie die zich in Fausts strijd tegen het water voltrekt. Toch heeft de inmiddels blinde honderdjarige vorser, door zorgen gekweld, in wezen geen schijn van kans meer. Terwijl hij zich laaft aan zijn laatste glorieuze visioen - of hallucinatie -, delven de lemuren achter zijn rug reeds zijn graf.
Wat Faust al die tijd echter niet weet - de lezer is al sedert de Proloog ingewijd - en wat ten slotte zijn redding zal inluiden, is dat zijn eigen ziel het object vormt van een weddenschap tussen God en Mefistofeles. De Heer heeft zijn eeuwige tegenstander er namelijk toe uitgedaagd de mens uit zijn toestand van lamlendige apathie te bevrijden en hem met behulp van allerlei verleidingstactieken tot actie aan te sporen. Zonder te beseffen dat hij zelf werd belazerd, hapte Mefistofeles gretig toe. God wist wel beter en blijkt zodoende de doortraptste van het hele stel te zijn: ofschoon Faust eerst wel met volle teugen geniet van het hem aangebodene, moet hij aan het slot van het 'festijn' onvermijdelijk zijn Schepper terugvinden. En zo geschiedt het dan ook. Wanneer Mefistofeles zijn lang verbeide beloning wil opeisen, storten ijlings toegesnelde engelen als afleidingsmanoeuvre een regen van rozenblaadjes over de kwade genius uit, terwijl ze er met de ziel van de overledene tussenuit knijpen.
Dankzij de nieuwste Nederlandse vertaling van Ard Posthuma kan dit grootse drama weer een poosje mee. Hoewel de vertaler soms kiest voor een wel erg hip taalgebruik, zodat er in deze Faust woorden voorkomen als "showmaster" en "luchtfietserij", valt er op zijn knappe prestatie nauwelijks iets af te dingen: de wisselende versvormen, het typerende stemgeluid van ieder personage, en de alomtegenwoordige humor, het komt allemaal zonder gekunsteldheden tot zijn recht. Overigens wil ik vooral op dit laatste aspect de nadruk leggen: van Goethes meesterwerk wordt vaak gedacht dat het, gezien de thematiek, stilistisch zwaar op de hand moet zijn, maar gelukkig wordt dit spijtige misverstand gelijk vanaf de eerste bladzijde in deze nieuwe editie vakkundig ontzenuwd. Hoe diep tragisch Fausts lot ons ook mag toeschijnen, de meester uit Weimar heeft het vooral in komische scènes en geestige dialogen getoonzet. Dit heeft onder andere tot gevolg dat je hoofdzakelijk sympathie opvat voor Mefistofeles, die zich bijvoorbeeld erg ongemakkelijk voelt wanneer hij tussen de heidense wonderwezens van de Griekse oudheid verzeild raakt, en op de keper beschouwd, jarenlang de benen vanonder het lijf jakkert en ten langen leste zelf bij de neus genomen wordt. Ja, zoals Pieter Steinz - weliswaar over Boelgakovs Meester en Margarita - ooit schreef: "wees aardig voor de Duivel want echt, hij is zo slecht nog niet."
Verschenen in: 1832
De impressie is geschreven door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door J.W. von Goethe
Zo veelvormig en complex als Goethes Faust oogt, zo eenvoudig is het uitgangspunt van Het lijden van de jonge Werther in woorden te vatten: een jongeman, Werther, koestert een immense liefde voor de innemende Lotte, die echter al verloofd is en later zal trouwen met de keurige Albert. De liefde van de jongeman blijft dus onbeantwoord en zal hem uiteindelijk noodlottig worden: aan zijn schrijftafel schiet hij zich door het hoofd. Werther is een rusteloze, emotionele en opvliegerige figuur; hij laat zich door alles hevig beroeren en noteert met machteloze pen – de taal kan zijn gevoelens niet bevatten – zijn zielenroerselen in brieven en dagboekfragmenten.
Hoewel er behalve de liefdesgeschiedenis heel wat meer speelt dat Werther tot wanhoop drijft – “de walging voor het leven, het gevoel misplaatst te zijn, de ‘Krankheit zum Tode’” zoals Gerrit Komrij het in zijn nawoord omschrijft – blijft het verlangen naar de onbereikbare Lotte de oppervlakte van het verhaal domineren. Het is een verlangen dat alle andere mogelijke gevoelens compleet overschaduwt, het is een onontkoombare drift die juist omdat hij niet verzadigd zal kunnen raken, des te heviger is.
Werther is dusdanig gepassioneerd van Lotte dat hij te pas en te onpas bij haar op bezoek gaat, dat hij haar en haar echtgenoot praktisch geen moment met rust kan laten. Alles wat ook maar enigszins met Lotte te maken heeft, benadert hij met de grootste verering. Zo heeft hij een strik van Lottes jurk in bezit die hij behandelt als was het een waar museumstuk, of beter misschien, als was hij een hedendaagse bewonderaar van een popidool die een van diens voormalige eigendommen verafgoodt. Omdat hij zijn liefde op geen enkele manier kan relativeren gedraagt Werther zich in onze ogen eigenlijk ronduit belachelijk.
Kunnen we Goethes Werther, behalve als weergaloze afspiegeling van de Sturm und Drang-tijdsgeest, tegenwoordig nog wel serieus nemen? Het boek wordt nog steeds veelvuldig gelezen. Rik Moors betoogt op zijn website dat dat succes juist toe te schrijven is aan de talloze ongeloofwaardige, voorspelbare en onoriginele aspecten ervan. Deze geven de lezer immers houvast en herkenning en zorgen voor “een gevoel van zekerheid en betrokkenheid met het lot van de lijdzame protagonist”. Dit is immers voor veel mensen een belangrijke drijfveer tot het lezen van bepaalde boeken of het kijken naar soaps.
Hoewel dit voor een deel wel waar lijkt, zou ik willen stellen dat er nog meer redenen zijn te geven voor de hedendaagse populariteit van de Werther. Allereerst heeft het een grote curiositeitswaarde. De passionele, van diepe emoties doordrenkte stijl, de tekenen (talloze gedachtestreepjes, uitroeptekens) die aangeven waar de taal tekortschiet, de beelden van het burgerleven uit vervlogen tijden, de mateloze verliefdheid van Werther enz. zouden in een eenentwintigste-eeuwse roman grotesk zijn, onvoorstelbaar.
Maar desondanks is het niet waar dat Het lijden van de jonge Werther voor de lezer uit deze tijd verder in het geheel niet relevant is te noemen. De Wertherfiguur, die de vlakheid, de normen en de maatstaven van de burgerij uitkotst die zijn leven bepalen, voor wie de maatschappij niks te bieden heeft, die zich daarin dus dodelijk verveelt en zich vanuit een soort ontsnappingsdrang op niets anders meer dan zijn verlangen naar Lotte richt, lijkt namelijk een uitvergroting van uitgerekend de hedendaagse mens. Zijn wij ooit tevreden met ons leven zoals het is, laten we ons niet telkens verleiden door allerlei reclames voor aanlokkelijke consumptiegoederen, willen we niet (minstens) één keer per jaar weg van huis op zonvakantie, kortom, houden wij ooit op te verlangen zonder dat we daar enige voldoening uit putten?
Hoewel Goethes Het lijden van de jonge Werther misschien op het eerste gezicht wat gedateerd kan lijken, drukt het ons in wezen met de neus op tijdloos menselijk gedrag. Het geeft ons inzicht in hoe belachelijk ook wij ons eigen leven leiden, en hoe de mensheid dat wellicht altijd zal blijven doen.
Verschenen in: 1774
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Sebastian Haffner
Dat Duitsland in 1933 zo massaal op Hitler stemde, hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen? Zijn Duitsers niet als nagenoeg ieder ander fatsoenlijke en wijze mensen die zich niet zomaar ideeën laten aanpraten door een of andere charlatan? Als je traditionele geschiedenisboeken erop naspeurt krijg je waarschijnlijk als verklaringen de ontevredenheid bij het volk, de economische crisis en de onverbiddelijkheid van het Verdrag van Versailles dat de schuld voor Wo. I geheel op Duitsland probeerde af te schuiven. Maar of die antwoorden echt voldoende zijn valt te betwijfelen. Ze lijken immers nogal aan de oppervlakte van het menselijk handelen te blijven hangen. Kan niemand er ons een grondigere uitleg over geven?
Sebastian Haffner is hier als geen ander toe in staat. Hij beleeft 1933 als jonge rechtenstudent. Als doodnormale jongen met een goed observatievermogen bezit hij de ideale positie om erachter te komen wat er allemaal in zijn medeburgers omgaat, waarbij hij overigens zichzelf niet ongemoeid laat. Wat hij aantreft zijn allerhande psychologische processen die een heel wat complexer en genuanceerder beeld van de machtsovername door de nazi's geven dan het klassieke verhaal. Angst, simpel opportunisme, de verleiding van de kameraadschap, lafheid; vele factoren blijken een rol te spelen.
Het verhaal van een Duitser is eigenlijk Haffners autobiografie van de periode 1914-1933, met een focus op het jaar 1933. Zijn eigen verhaal en dat van de mensen uit zijn omgeving vertelt hij daarin vanuit het perspectief van de nationale geschiedenis. Dat gaat Haffner zeer natuurlijk af. Hij is een individu als ieder ander, niet eens bijzonder goed ingewijd in de gebeurtenissen van zijn tijd, en juist daarom kan ons hij op authentieke wijze laten aanschouwen hoe de grote verhalen van de geschiedenis hun impact hebben op, én mede bepaald worden door, de levens van de meest doodnormale mensen.
Haffner, die dit boek vol scherpe inzichten overigens al in 1939 schreef, zou veel navolgers moeten krijgen. Gezamenlijk kunnen schrijvers als hij iets abstracts als geschiedenis menselijker maken en zo de kennis ervan verrijken voor het nageslacht.
Verschenen in: 2000
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Judith Hermann
Terwijl het nazi-regime al ruim 60 jaar achter ons ligt, word je er – als je ook maar enigszins toenadering tot Duitsland zoekt – nog keer op keer mee geconfronteerd. Wanneer je boeken leest van nauwelijks een paar decennia oud, bijvoorbeeld Christa Wolfs Zomerspel, Gert Hoffmans De filmverteller en Bernhard Schlinks De voorlezer, komt die geschiedenis steevast op je af. Maar ook wanneer je toeristische plaatsen bezoekt ontkom je niet aan de herinnering aan de nazi-periode. Het meest groteske voorbeeld daarvan is wellicht Weimar. Aan zijn sleutelpositie in de Duitse klassieke tijd zijn er talloze monumenten gewijd waaronder de residenties van Goethe en Schiller. De opgepoetste stad doet in alles terugdenken aan de glorie van weleer. Maar helemaal fris ruikt die pracht en praal niet meer sinds Hitler Weimar uitbuitte als cultureel centrum van het Derde Rijk. Niet alleen hield hij er regelmatig toespraken op de historische markt, ook vestigde hij er het kamp Buchenwald – en nog wel op Goethes geliefde Ettersberg even buiten de stad. Als bezoeker van Weimar ontkom je niet aan de zware walm van het nazi-regime.
Dat Judith Hermann in haar werk het duistere verleden nergens aanroert is daartussen wel opvallend. (Dat het opvalt als iemand ergens niet over schrijft is al een curiosum op zich.) De negen kortverhalen uit Zomerhuis, later spelen zich voor het grootste deel af in een klein blikveld dat niet reikt tot andere tijdsgewrichten en denksystemen. De verhalen gaan over veelal jonge mensen die zich op hun eigen leven concentreren. Ze bouwen relaties op, bezoeken feesten en cafés, halen familieherinneringen op. Hermann laat zien dat al die eigen levens van ogenschijnlijk doodnormale mensen ieder voor zich uniek en rijkgeschakeerd zijn. Haar personages doen alledaagse dingen: ze varen, maken autoritten, ontvangen bezoek, gaan zwemmen of wandelen door de stad. Maar die bezigheden blijken allesbehalve onbeduidend. Want juist daarin komen de kwellende communicatieproblemen tussen mensen en hun eigenzinnige psychologische trekjes het helderst bovendrijven.
Hermann laat haar personages in haar verhalen rondkuieren zonder ze enig benul mee te geven van Grote Verhalen. Niet alleen het nazi-verleden blijft onaangeroerd maar ook hedendaagse (politieke, culturele) kwesties blijven buiten beschouwing. De personages zijn niet verwikkeld in migratieproblematiek, kennen geen terrorisme en laten de globalisering langs zich heen glijden. Onverstoord houden ze zich bezig met hun persoonlijke leven dat, zo lijkt Hermanns statement te luiden, op zichzelf al ingewikkeld genoeg is.
Zomerhuis, later draait om individualisme. Iedere identiteit blijkt erin immers op zich interessant, ieder personage jaagt zijn eigen wil en verlangens achterna en laat zijn eigen twijfels een sleutelrol vervullen. Is Zomerhuis, later daarmee een egocentrisch boek? Nee, want het lijkt veel eerder een treffende afspiegeling van de manier waarop het gros van de mensen in onze maatschappij in het leven staat. Natuurlijk nemen we vol belangstelling nieuwsberichten over klimaatconferenties, generaal pardons en EU-maatregelen in ons op. Maar houden we ons in de eerste plaats niet vooral bezig met onze eigen carrièreperspectieven, Vinex-huizen en welverdiende vakantiedagen? Waarderen we niet boven alles het toverwoord ‘persoonlijke vrijheid’ en leven we niet daadwerkelijk in een over-individualistisch tijdperk?
Verschenen in: 1998
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door E.T.A. Hoffmann
Eeuwenlang heeft het dubbelgangersmotief in de literatuur hoofdzakelijk ter vermaak gediend. Het komische effect school meestal hierin dat de uitgesproken fysieke gelijkenis tussen feitelijk verschillende personen aanleiding gaf tot algehele verwarring en een opeenstapeling van misverstanden en bedriegerijen. Vanaf de Romantiek werd het thema echter stilaan omgeven door een waas van 'Unheimlichkeit' omdat het niet langer de confrontatie van bijna identieke fysionomieën betrof, maar daarentegen de suggestie werd gewekt dat het psyche van één personage zich ontdubbeld had en als twee afzonderlijke, vaak tegenstrijdige ikken naast elkaar konden opereren. Voor een van de eerste en tegelijk meest opzienbarende bijdrages aan deze verregaande psychologisering van de 'Dopfelgängersroman' tekende E.T.A. Hoffmann met Het duivelselixer waarin Goed en Kwaad als het ware een mystiek gevecht leveren om de hegemonie over eenzelfde ziel.
Strijdtoneel van dienst vormt de kapucijnermonnik Medardus die na het drinken van een wonderlijke Syracusische wijn, volgens de legende ooit nog door de Heilige Antonius op de duivel zelf buitgemaakt, voortdurend moet optornen tegen (visioenen van) zijn gewelddadige halfbroer graaf Victorin, een intrigant met moordlustige neigingen. Op zijn pelgrimstocht naar Rome, een penitentie waartoe abt Leonardus hem vanwege zijn hoogmoed heeft veroordeeld, ziet Medardus bovendien regelmatig een spookachtige schilder zijn pad kruisen die hem weliswaar veeleer lijkt te beschermen dan schade te berokkenen maar niettemin de nodige angstige vermoedens bij de reiziger oproept. Toch verwerft hij mede dankzij een manuscript dat hem in een klooster ter hand wordt gesteld en door deze schilder vervaardigd blijkt te zijn, inzicht in zijn eigen noodlot, de erfzonde waarmee zijn geslacht sedert eeuwen bezoedeld is en waarvan hij het louter door tuchtiging en zelfkastijding zal vermogen te zuiveren. De decors waartegen deze ingewikkelde intrige zich afspeelt passen overigens perfect in het pseudo-middeleeuwse horrorplaatje: kerken gedecoreerd met portretten van lijdende martelaren, donkere kastelen vol nissen en onvermoede doorgangen, overweldigende berglandschappen en uitgestrekte wouden, onderaardse kerkers en martelkamers, zelfs de Romeinse catacomben waar onze beproefde bedevaarder op de koop toe ongewild betrokken raakt bij het gekonkel rond de Heilige Stoel.
Ondanks dat de morele dilemma's waar Medardus tot op zijn sterfbed mee blijft worstelen, innerlijk diep verscheurd door aanvechtingen die in de verzengende broeierigheid van zijn religieuze fanatisme ofwel profaan en dus zondig ofwel verheven en essentieel deugdzaam zijn - hetgeen ook metaforisch tot uitdrukking komt in zijn vleselijke begeerte voor de wereldse verdorven Eufemie en zijn aanbidding van haar vrome schuldeloze zuster Aurelie -, bij de hedendaagse lezer eerder ademnood en bevreemding dan begrip opwekken bezit Het duivelselixer nog steeds een grote curiositeitswaarde. Het gegraaf in de hellekrochten van het door primaire driften geregeerde onderbewustzijn dat o.a. met deze roman een aanvang neemt is niet alleen van cultuurhistorisch belang omdat er op die manier duchtig weerwerk werd geboden tegen de achttiende-eeuwse zaligverklaring van de verlichte ratio, maar tevens aangezien de gelaagdheid van het moderne subject hierdoor geleidelijk aan in beeld kwam. De treffende personificatie hiervan zijn behalve de reeds vermelde archetypische koppels, Medardus/Victorin en Aurelie/Eufemie, ook de geboren toneelspeler Pietro Belcampo - de artiestennaam voor Peter Schoonveld - die de monnik meermaals uit de nesten redt. Om de haverklap wisselend van uitdossing, vak, stemming en persoonlijkheid maakt deze nar met zijn dolle fratsen en gevatte levenslessen er ons attent op hoe iedere westerling onafgebroken dient te schipperen tussen alle publieke en private rollen die hij of zij dagdagelijks vertolkt, tussen maatschappelijke plichten en de drang deze ten gunste van de ongebonden expressie te verzuimen. Daarenboven laat dit schitterende personage, aan wie de Nederlandse schrijver Belcampo overigens zijn pseudoniem ontleende, toe een ironische blik op dit sociale schouwtoneel te werpen en Medardus' tragiek met kwinkslagen te kenteren.
Verschenen in: 1815
De impressie is geschreven door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Gert Hofmann
In de begindagen van de bioscoop stond er bij iedere vertoning een man naast het witte doek die de mensen in de zaal uitlegde wat erop te zien was en die op de minder belangwekkende momenten een deuntje speelde op de piano. Zo’n filmverteller is Karl Hofmann. Hij werkt in het Apollotheater, in het kleine provincieplaatsje Limbach in Saksen. Zijn beroep is zijn grote passie; hij leeft volledig op wanneer hij zijn verhalen op het in donker gehulde publiek afvuurt en zo voor hen duiding geeft bij de film. Wat moeten zij ooit zonder hem?
In de gewone wereld, bij zijn echtgenote die zich aan van alles en nog wat ergert of tijdens zijn tochten door het land, voelt hij zich nooit werkelijk op zijn plaats. Altijd blijft hij op zoek naar de andere wereld, die hij slechts in de bioscoop aantreft. Daar kan hij namelijk die wereld zelf scheppen, met zijn ‘woordensla’ en zorgvuldig uitgedachte formuleringen. En wanneer hij zich elders, bij zijn vriend Cosimo bijvoorbeeld, of zijn minnares juffrouw Fritsche moet uitdrukken doet hij dit steeds in filmtermen. Voor alle ideeën die hij wil overbrengen citeert hij uit films, iedere keer onder vermelding van het jaartal en de hoofdrolspelers.
De wederwaardigheden van deze fascinerende figuur worden in De filmverteller beschreven vanuit het perspectief van de kleine Gert Hofmann. Als jongetje wordt hij door zijn grootvader al meegetroond naar het Apollotheater, en mag hij ’s zondags mee uit wandelen.
Karl Hofmann loopt graag door de natuur, maar evengoed door de straten van Limbach. Hij houdt er vooral van als hij gegroet wordt door de mensen. Samen lopen ze een straat soms tweemaal op en neer, één keer op de linker-, één keer op de rechterstoep zodat iedereen de mogelijkheid krijgt hem te groeten. Ook gaan grootvader en kleinzoon zo nu en dan met de trein op pad. Ze vertrekken dan ’s morgens vroeg met hun lunchpakketjes en kiezen op hun intuïtie een stad uit waar ze die dag naartoe zullen gaan. Het is niet zo erg van belang naar welke stad de trein hen uiteindelijk brengt, als er maar een bioscoop is. Want een filmvertoning staat die dagen hoe dan ook op het programma.
Het is echter niet alleen maar koek en ei in De filmverteller. Vanaf het moment dat de eigenaar van het Apollotheater de geluidsfilm introduceert gaat het namelijk bergafwaarts met Karl Hofmann. Hij verliest zijn baan en zijn kleinzoon ziet met lede ogen aan hoe de oude man wegkwijnt. In zijn moedeloosheid begint Karl Hofmann politieke bijeenkomsten te bezoeken, want wellicht is het nazi-regime bereid de stomme film voor de ondergang te behoeden. Maar de heren Gotze en Friedrich, twee marionettenpoppen van Hitler die Hofmann de partij in proberen te praten, zijn niet gediend van zijn stompzinnige geleuter over films.
Ondanks dat deze zware thematiek plotseling de hoek om komt kijken, blijft de lichte, kinderlijke verteltoon van Gert Hofmann helemaal intact. De blik van het kind dat met verwonderde en nieuwsgierige ogen de wereld inkijkt levert een blijmoedig proza op. De stijl doet qua geestigheid soms denken aan De ontdekking van de curryworst (Uwe Timm), en qua verrassende elementen aan Extreem luid & ongelofelijk dichtbij (Jonathan Safran Foer). Wat deze roman boven alles uitdraagt is het fijnzinnige plezier dat je kunt beleven aan het vertellen van verhalen.
Verschenen in: 1990
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Daniel Kehlmann
Bij het lezen van Jacqueline Zirkzees hervertelling van de beroemde sage Tristan en Isolde bots je op allerlei herkenbare elementen uit de middeleeuwen. Kastelen in een nog grotendeels ongerept Europa, edele jonkvrouwen, duistere magie… stuk voor stuk zijn het zaken die we in onze cultuur steevast associëren met die mythische periode. Als je ze dan weer eens terugziet in een afgerond verhaal, in een vertelling die tot in de puntjes de sprookjesachtige sfeer ademt van innemende kasteelheren en avontuurlijke tochten te paard, geeft je dat een prettig geborgen gevoel. Ook al vervelen de clichés vast veel hedendaagse lezers, toch zullen ook velen zich erdoor nog eens extra stevig in hun gemakkelijke stoel laten nestelen. Onbekommerd kun je je ontspannen, want Tristan en Isolde is herkenbaar, en zal het beeld dat je al hebt van de middeleeuwen nergens in de war schoppen.
Niet alle historische romans gaan even zachtaardig om met je standaardassociaties. En dat is maar goed ook, anders zouden we nooit een stap verder komen met onze mentale beeldvorming van de wereld. Daniel Kehlmanns Het meten van de wereld is hier zo’n uitmuntend voorbeeld van. Vonden we eerder de Duitse verlichting stiekem een beetje saai en stoffig (men denke aan stijve intellectuelen achter hun massief houten bureau, met stapels papieren voor hun neus en een gezicht dat strak staat van de ernst), na lezing van dat boek beginnen we spontaan te glimlachen bij de gedachte aan die periode.
Kehlmann heeft het leven opgetekend van twee vooraanstaande wetenschappers, de wiskundige Carl Friedrich Gauß en de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt. Met slechts wat zijdelingse kennis van elkaars werk, hebben ze beiden het plan opgevat om de wereld te meten. Terwijl de eerste (die de grootst mogelijke angst voor en afkeer van reizen heeft) zijn berekeningen maakt vanachter zijn bureau en dus de wereld enkel in zijn meest abstracte vormen wil leren kennen, trekt de ander er op uit naar Zuid-Amerika. Humboldt bekijkt alle flora en fauna die hij op zijn weg tegenkomt tot in detail, noteert zijn bevindingen nauwkeurig in zijn opschrijfboek en sleept zijn meetapparatuur mee tot in de meest onbegaanbare gebieden. Een flexibel man wordt hij niet van zijn gekampeer, integendeel. Immer gekleed in zijn Pruisische uniform,\ en met een grote hang naar correctheid en discipline werkt hij zijn Franse assistent Bonpland constant op de zenuwen.
Wat Het meten van de wereld zo luchtig en humoristisch maakt is niet zozeer de allesoverheersende nood om dankzij kennis grip te krijgen op alles om ons heen, maar juist de praktische beslommeringen die tijdens dit nobele streven de kop opsteken. Zo moet Humboldt kampen met zwermen insecten op de rivier de Orinoco, met visioenen die hem tijdens wandelingen in de ijle lucht van hoge bergen bezoeken, enzovoorts enzovoorts, en moet hij toch zijn fatsoen en statige persoon in stand weten te houden. En Gauß, die weliswaar veilig op zijn studeerkamer blijft, ziet zijn intellectuele vermogens en lichamelijke uithoudingsvermogen zo hard achteruithollen met het ouder worden dat zijn werken bemoeilijkt wordt. Hij vraagt zich wel eens af waarom zijn zoon, die hij ronduit als een nietsnut beschouwt, toch met zo’n onvermoeibaar lichaam is gezegend en hij niet. Bovendien heeft hij geen goed voorkomen, hij gedraagt zich - als hij zich dan toch eens onder de mensen moet begeven - ongegeneerd. Hij weet niet hoe het hoort.
De wetenschappers botsen tijdens hun zoektocht telkens tegen zulke fysieke ongemakken op waardoor ze hun werk niet zo vlotjes kunnen doen als ze wel wilden. Die alledaagse ongenoegens waar de wetenschappers door belemmerd worden (en die een eervol mens liever niet geassocieerd ziet met zulke grote geesten) schetst Kehlmann in geuren en kleuren. Hij vormt de praktische bekommernissen van een afleiding van de ‘zaak waar het eigenlijk om gaat’ om tot iets charmerends waar je vrolijk van wordt.
Behalve dat beide wetenschappers met handen en voeten gebonden zitten aan de materiële wereld, zitten ze ook gevangen in hun eigen tijdperk. Vooral Gauß verzucht regelmatig dat ze in zijn tijd, begin 19e eeuw, toch nog maar een zo weinig ontwikkelde samenleving zijn. Hij kijkt uit naar de toekomst, waarin men veel meer zal kunnen - sneller en comfortabeler reizen, bijvoorbeeld.
Kehlmann lijkt deze twee mannen, die zulke grote doelstellingen nastreven, en plaats in de historie te gunnen die verder reikt dan de lengte van hun eigen leven, die zich uitstrekt tot aan de dag van vandaag. Dat probeert hij natuurlijk in eerste instantie door deze roman juist over hen te schrijven (ook al drijft hij de spot met hun pech en onhebbelijkheden), maar ook door speciale stilistische middelen. Zo gebruikt hij geen aanhalingstekens wanneer ze iets zeggen, waardoor hun dialogen op een minder grote afstand van ons komen te staan. En daarnaast maakt hij opvallend veel gebruik van de zogenaamde ‘vrije indirecte rede’ om uitspraken of gedachten weer te geven. Zoals hier, in dit fragment uit een gesprek bij de uiteindelijke ontmoeting tussen Gauß en Humboldt:
“Die aftandse onzin van Kant. Gauß schudde zijn hoofd. Het verstand vormde helemaal niets en begreep weinig. De ruimte kromde zich en de tijd strekte zich uit. Wie een rechte lijn trok, steeds verder en verder, bereikte ergens weer het uitgangspunt. Hij wees op de laag in het raam staande zon. Niet eens de stralen van deze uitdovende ster kwamen in rechte lijnen naar beneden. De wereld kon met moeite berekend worden, maar dat wilde nog lang niet zeggen dat ze ook maar iets begrepen.”
Uit de context van dit stuk kun je opmaken dat Gauß zijn woorden aan zijn gesprekspartner Humboldt richt. Maar hij zou ze, helemaal of gedeeltelijk, evengoed gedacht kunnen hebben. Juist doordat Kehlmann niet vermeldt dat Gauß ze uitspreekt of in zichzelf zegt, met één van die distantiërende constructies als “… zei hij” of “hij dacht bij zichzelf: …”, worden we er als lezer op een directe manier mee geconfronteerd. De zorgen en passies van beide verlichtingsdenkers komen zo schijnbaar rechtstreeks en authentiek ons gezichtsveld binnen.
Verschenen in: 2005
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Thomas Mann
Ergens op een desolaat pleintje in het zomerse Venetië is een wat oudere, goedgeklede heer in elkaar gezakt. Hij ziet er opgedirkt uit, zijn haren geverfd, de rode blos op zijn wangen cosmetisch aangebracht. Door zijn hoofd speelt een passage uit Plato's Phaedros, waarin Socrates zijn leerling voorhoudt dat de schoonheid het enige waarneembare aspect van de goddelijke ziel vormt. Welnu, aan deze aardse schoonheid is de man die hier bewusteloos op de grond ligt, zich tebuitengegaan; hij raakte er dermate aan verslingerd dat slechts één uitweg hem nog bevredigen kan, de dood.
De man op het plein heet Gustav von Aschenbach. Een gedisciplineerd en gelauwerd auteur die in de stad van paleizen, gondels en kanalen een tijdje verpozing komt zoeken, voordat hij in zijn zomerhuis verder wil gaan werken aan zijn nieuwste roman. Maar Venetië blijkt een metamorfose te hebben ondergaan: geteisterd door een cholera-epidemie wordt dit toeristische centrum plots de Hades, de gondelier die Von Aschenbach vanuit de haven naar zijn hotel roeit de veerman Charon, de lagune de ijzingwekkende Styx. Maar ondanks de dreiging van de wild om zich heen maaiende ziekte wil de schrijver niet vertrekken. Niets deert hem nog, nu hij in een andere hotelgast, de Poolse jongen Tadzio, de beeldschone Eros verpersoonlijkt ziet. Nooit zullen ze één woord met elkaar wisselen, maar het is precies die onmogelijkheid tot directe communicatie die de lichaamstaal en de visuele signalen des te prikkelender maakt. Von Aschenbach volgt het object van zijn adoratie overal naartoe en ook wanneer de jongen op het strand met andere tieners stoeit, laat zijn blik hem geen seconde meer los. Leven en dood cirkelen in steeds nauwer wordende kringen om elkaar heen, totdat de omarming niet langer te vermijden valt...
Met deze virtuoze novelle heeft Thomas Mann een allegorie gecreëerd voor de Nietzscheaanse botsing tussen de Dionysische en Apollinische krachten binnen de kunst. De door Apollo geregeerde Von Aschenbach, wiens oeuvre voortkwam uit onthechting, rigoureuze zelftucht en een intellectualistisch streven naar stilistische perfectie, geeft zich over aan een orgiastische levensroes, met name uitgedrukt in zijn droom over een extatisch offerfeest op een berg dat eindigt met een chaotisch kluwen van kreunende, copulerende lichamen, aan een dronken hunkering naar jeugd en schoonheid, aan een ongebreidelde creativiteit die zich met de oerdriften voedt. Symboliek en betekenislagen stapelen zich op. Maar afgezien daarvan blijft het ook een parel dankzij de typische Mann-volzinnen, die je al net zo esthetisch verdoofd achterlaten als Tadzio Von Aschenbach.
Verschenen in: 1912
Oorspronkelijke titel: Der Tod in Venedig
De impressie is geschreven door: Piet
Zie ook Luchino Visconti's verfilming, Death in Venice
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Thomas Mann
Lees het artikel over De Toverberg van Thomas Mann
Verschenen in: 1924
Oorspronkelijke titel: Der Zauberberg
Het artikel is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Pascal Mercier
Het rusteloos eenzaam dwalen door een stad, de onderdompeling in een continue stroom van op zich fragmentarische indrukken en sensaties, het kijken naar de nimmer aflatende bedrijvigheid in de haven en de voorbijtrekkende schepen op de Taag; we associëren het allemaal met Fernando Pessoa - of met één van zijn heteroniemen onder meer uit de prachtige poëziebundel Oda maritima - en diens beschrijvingen van het vroeg twintigste-eeuwse Lissabon. Sedert kort roept echter ook nog een ander boek soortgelijke spontane beelden op, en wel Nachttrein naar Lissabon van de Zwitserse auteur Pascal Mercier; hierin loopt de leraar Klassieke Talen Raimund Gregorius immers op een goede regenachtige dag plots het klaslokaal en zijn brave Bernse leventje uit om, na de eerste nachttrein te hebben genomen, in de straten van de Portugese hoofdstad de reeds vervagende sporen te zoeken van Amadeu de Prado, een schrijvende arts die ten tijde van de Salazar-dictatuur werkzaam was in de ondergrondse. Maar zijn het wel zozeer Amadeu's sporen die Gregorius in de slingerende, omlaag dan weer omhoog voerende steegjes tracht te ontdekken? Hoeveel hebben de onontgonnen gebieden van zijn eigen lichamelijke geografie er eigenlijk mee te zien? Om hierop een antwoord te kunnen geven moeten we wellicht de spoorlijn in omgekeerde richting volgen, terug als dat überhaupt kan, naar een telefoonnummer en de welluidende naam van een taal.
Op de eerste pagina van de roman ontmoet Gregorius een uitgeregend meisje dat een brief staat te lezen op een brug, nabij het gymnasium waar hij les geeft. Het is onduidelijk of ze al dan niet in de kolkende rivier wil springen - dat doen mysterieuze meisjes op bruggen namelijk wel vaker - maar als hij eenmaal naderbij is gekomen, schrijft ze in plaats daarvan een telefoonnummer op zijn voorhoofd. Wat de redenen voor deze merkwaardige handeling ook mogen zijn, ze wekt Gregorius' lichaam op uit de routine van iedere ochtend. Met erotiek heeft het in dit geval weinig te maken; veeleer betreft het hier het herinneren van het lichaam, dat als het ware mechanisch de rituelen van iedere dag volvoerde, aan de concrete ervaring. Hoewel het een moment van aanraking betreft, een actie, markeert deze voor hem bij wijze van spreken een 'gebeurtenisvolle stilstand'. Een ontmoetingspunt heeft zich voltrokken, een onvermoed spoor is geopend dat des te ontregelender blijkt wanneer de jonge vrouw hem vertelt dat ze "portugués" spreekt en hij onder de bekoring van dat ene woord nog geen uur later besluit Portugees te willen leren. Dankzij de inscriptie van een serie cijfers en exotische klanken (her)vindt hij niet alleen in een boekhandel de postuum verschenen overpeinzingen van Amadeu, "de goudsmid van woorden", maar tevens het spoor van zijn eigen naam: Gregor[ius], de on(vrij)willige transformatie, en daarmee Mundus - zoals zijn leerlingen hem plegen te noemen - ofwel het loslaten van het 'ik' ten gunste van het opgaan in de wereld. Het is dan ook geen toeval dat, nadat zijn Zwitserse bril met dikke glazen bij een nachtelijke wandeling door Lissabon gesneuveld is, hij een nieuwe krijgt aangemeten waardoor de werkelijkheid en hijzelf eensklaps totaal anders ogen.
Dat literatuur en cartografie nauw verwant zijn, weten we al sinds Homèros maar waar Odysseus en talloze veroveraars na hem tot ver in de achttiende eeuw de wereldzeeën of de Kosmos verkenden - denk maar aan De divina commedia, Columbus' scheepsjournaal, Robinson Crusoe of Gulliver's travels -, heeft de moderniteit ongetwijfeld de hernieuwde exploratie van het lichaam ingeluid. Een en ander houdt uiteraard verband met het ontstaan van de geïndustrialiseerde metropolen waar de gewaarwordingen van de omgeving en de inwerking hiervan op het individuele lichaam zowel qua hoeveelheid, diversiteit, snelheid als gelijktijdigheid exponentieel toenamen. Dit kan ook verklaren waarom we vanaf het begin van de negentiende eeuw zoveel 'stad-wordingen' - de versmelting van het subject met de stad - aantreffen in de literatuur: het Londen van Dickens, het Parijs van Baudelaire en later van Proust, het Dublin van Joyce, het Aelst van Boon, om slechts de meest voor de hand liggende te noemen. Het lichaam-in-de-stad als kruispunt van ontelbare sporen, ook daar weet Mercier tegenwoordig nog steeds raad mee, in zijn eenentwintigste-eeuwse boek der rusteloosheid.
Verschenen in: 2004
Door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Bernhard Schlink
Wie zelf, meestal als kind, geregeld werd voorgelezen of later zijn eigen kinderen voorleest, heeft aan den lijve ondervonden welk een behaaglijke sfeer van dit ritueel kan uitgaan. Het samen binnentreden in de fictieve wereld van het boek verenigt voorlezer en toehoorder gevoelsmatig tot één hecht publiek, zodat bij hen de sterke illusie postvat dat hun individuele verbeeldingsvermogen tijdelijk vervloeit in een collectieve ervaring van de tekst. Geborgen en verbonden als zij zich hierdoor wanen zien zij in een derde, bijvoorbeeld in een huisgenoot die onverwachts de kamer binnenkomt of in de vreemdeling die naast hen op het bankje in het park plaatsneemt, een vervelende buitenstaander die in hun gekoesterde communicatiekanaal (ongewild) voor stoorzender speelt, geen deel kan hebben aan hun imaginaire verbintenis en daarom liefst zo gauw mogelijk dient op te krassen. Hoewel het voorlezen vooral met een ouder-kindrelatie wordt geassocieerd, kan het ook de intimiteit tussen geliefden versterken. Misschien juist omdat het aan de vervlogen kindertijd herinnert vermag het ook rond twee volwassenen die magische cirkel te trekken waar geen van beiden na afloop met plezier uitstapt. Dat merkt de vijftienjarige Michaël Berg wanneer zijn eerste, bijna twintig jaar oudere minnares Hanna hem verzoekt haar bij ieder afspraakje een poosje voor te lezen. Ook nadat Hanna op een dag is verdwenen zonder enig spoor achter te laten denkt hij nog vaak terug aan hun middagen vol liefkozingen en literatuur. Wat heeft haar zo ijlings uit de stad doen vertrekken, haar gedwongen haar baan als tramconductrice op te zeggen, haar knusse kamerflatje en jeugdige bedgenoot op te geven?
Het antwoord op deze vraag zal jaren later echter weer andere nog veel prangendere, ethische vragen oproepen. Als rechtenstudent woont Michaël namelijk begin jaren zestig een proces tegen voormalige bewaaksters van Auschwitz bij waar hij tot zijn afgrijzen Hanna in de beklaagdenbank ontwaart. Behalve voor de beruchte selecties tijdens welke deze bewaaksters bepaalden wie van de vrouwelijke gevangenen te zwak was geworden om nog langer als arbeidskracht rendabel te zijn en dus naar de gaskamers moest, worden ze bovendien aansprakelijk gesteld voor de dood van honderden vrouwen die op de zogenaamde mars naar het westen na de ontruiming van de kampen in januari 1945 zijn omgekomen bij een geallieerd bombardement. Toen een brandbom was ingeslagen in het dorpskerkje waar de gevangenen voor de nacht waren opgesloten, hadden de bewaaksters die zelf in de nabijgelegen pastorij hun intrek hadden genomen het vertikt de kerkdeuren te openen met alle rampzalige gevolgen van dien. Het officiële SS-verslag over die nacht is volgens Hanna's medebeklaagden door Hanna geschreven om, zo betogen ze, haar eigen aandeel als bevelvoerster in deze gruweldaad te verdoezelen. Hanna ontkent de beschuldigingen niet hoewel ze, dat beseft Michaël plotseling als hij hun vroegere ontmoetingen in gedachten herbeleeft, hoogst waarschijnlijk niet kan lezen of schrijven. Waarom laat ze die aantijgingen dan zomaar over haar kant gaan? Moet hij de rechter niet over zijn aan zekerheid grenzende vermoeden inlichten en zodoende de gevangenisstraf van de vrouw die hem destijds in de liefde heeft ingewijd toch enkele jaren bekorten?
De sobere, ongecompliceerde parlandozinnen waarin Schlink deze geschiedenis vertelt steken intussen schril af tegen de dramatiek van de geschetste gebeurtenissen. Dit alledaagse taalgebruik zorgt er onder meer voor dat we kunnen begrijpen hoe het nazi-verleden ook in het leven van de naoorlogse generaties telkens weer door het poreuze oppervlak van de collectieve vergetelheid en de wederopbouw heen breekt. Een ervaring die we ook terugvinden in het werk van Uwe Timm en Gert Hofmann en die elke Duitser van na de Wo. II opzadelt met de schuldenlast van een nationaal verleden dat ze slechts uit verhalen, teksten, beelden, kortom representaties kennen. Wat dit tot op heden kan betekenen bewezen de woorden van een Duitse vriend en leeftijdsgenoot toen hij me, terwijl we samen genoten van een heerlijk winterzonnetje op één van de terrassen van het kasteel in Alicante, ervan verzekerde dat hem bij het zien van de journaalbeelden over de zestigste herdenking van de bevrijding van de Poolse concentratiekampen een sterk schuldgevoel had bekropen. Onterecht? Allicht, maar hetgeen jongere auteurs als Schlink met recht en reden hebben aangeroerd is met name de noodzaak dat ook wij, wie de barbarij van die vreselijke oorlog bespaard is, erover blijven spreken en lezen, want zelfs al zal de taal nimmer bij machte zijn het gebeurde ook maar te benaderen, ze is het voornaamste, wellicht het enige werkeljjke surrogaat dat ons ten dienste staat bij de reconstructie daarvan. Hier botsen we tevens op het gevaar van het essentialistische, racistische gedachtegoed dat partijen zoals het Vlaams Belang en de Partij van de Vrijheid uitdragen, en dat in eerste instantie wortelt in analfabetisme ten aanzien van het verleden.
Verschenen in: 1995
De impressie is geschreven door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door W.G. Sebald
Een eenzame schrijver maakt een dagenlange voettocht door het Engelse graafschap Suffolk. Hij loopt onder laaghangende wolkendekken, telkens in de nabijheid van de zee, over eindeloos heideland en door verlaten vissersdorpen. Wat vooral opmerkelijk is, is dat hij nauwelijks een mens tegenkomt. In alle vrijheid van het alleenzijn observeert hij verstrekkende kustlijnen, menselijke bouwsels, en – voor hem als liefhebber niet in het minst belangrijk – de bomen- en plantengroei.
Is die schrijver W.G. Sebald?, vragen we ons af. Het is mogelijk, maar zelf laat hij er niets over los. We kunnen dus maar het best concluderen dat dat hier niet de hamvraag is. Evenmin weten we waar de grens tussen feit en fictie ligt. Bestaat de boer die zijn ambities heeft verschoven naar het bouwen van een modelvariant van de tempel van Jeruzalem in de Engelse countryside, daar al jarenlang gepassioneerd aan werkt en zelfs de wetenschap steeds meer achter zich weet te scharen daadwerkelijk? Of is het bezoek dat de schrijver hem tijdens zijn tocht brengt opgepoetst, naar eigen ideeën gemodelleerd of zelfs helemaal aan elkaar gefantaseerd? Aangezien Sebald zich in zijn boek om die vraag niet bekommert zullen zijn lezers het niet weten. Het is in ieder geval een feit dat hij alles wat hij in Suffolk ziet op een even directe en geïnteresseerde manier beziet en becommentarieert.
Het geeft niets dat we niet weten of De ringen van Saturnus een persoonlijk reisverslag is dan wel een gefictionaliseerde rondreis. De rijkgeschakeerde beelden (én geluiden, geuren en gevoelens) die het oproept zijn er niet anders om. Bovendien vertelt het boek ons zo op een des te treffendere manier – want woordeloos - dat reizen hoe dan ook altijd een persoonlijke ervaring is. Een persoonlijke ervaring die zich, of je nu op de bewuste plaats fysiek aanwezig bent of niet, voor het belangrijkste deel in je hoofd afspeelt.
Dat besef je ook wanneer Sebald, of – neutraler – de bewuste schrijver zijn koffer vol kennis en herinneringen openslaat. Op zijn tocht door Engeland draagt hij immers de halve wereldgeschiedenis met zich mee. Telkens treft hij tijdens zijn wandelingen aanknopingspunten naar zijweggetjes in zijn hersenen aan. Dat kunnen eerdere gebeurtenissen uit zijn eigen leven zijn – een hotelovernachting in Brussel, museumbezoek in Den Haag – of uit nog vroeger tijden. Zo is er een plaatsje, nu een gehucht eigenlijk, in de streek die hij doorkruist dat tijdens de Middeleeuwen een belangrijke havenstad was. Er heerste welvaart en bedrijvigheid, schepen voeren af en aan, tot de afbrokkelende Engelse oostkust hem langzaamaan in de zee liet verzwelgen. Sebald blaast in zijn boek dat kleine, nu onbenullige plekje weer volop nieuw leven in. Maar zijn schrijven reikt nog verder, van het levensverhaal van Joseph Conrad tot de Chinese zijdeteelt en de uitbuiting van Belgisch Congo. Al deze geschiedenissen roept de reis door Suffolk op.
De ringen van Saturnus vormt zo een mix van essayistische passages over geschiedenis en landschap en persoonlijke belevenissen. De hoofdpersoon is telkens iemand die vol nieuwsgierigheid zaken om hem heen registreert en in zich opneemt terwijl hij in alle bescheidenheid voorbijgaat aan wat er in zijn innerlijk omgaat. Het boek wordt er niet minder persoonlijk om; juist omdat hij met de uitdrukking van zijn kennis en observaties het objectieve zo strikt de rug toekeert blinkt het uit in eigenzinnigheid. Het geheel oogt daardoor al met al als een creatieve en intelligente collage van talloze plaatsen met hun eigen kleine en grote verhalen. Alle tijden bestaan daarin naast elkaar, onderscheid tussen belangrijk en minder belangrijk komt er niet in voor. W.G. Sebald laat in De ringen van Saturnus daarom als geen ander zien hoe literatuur strenge ordeningsprincipes en hiërarchieën kan doorbreken om een wereld te scheppen waar werkelijkheid en fantasie en heden en verleden hand in hand door het leven gaan.
Verschenen in: 1995
De impressie is geschreven door: Karlijn
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Patrick Süskind
Die stad blijft in je herinnering onlosmakelijk verbonden met die ene welbepaalde etenslucht van een lokaal gerecht. Dat bosrijke gebied associeer je spontaan met een doordringend palet van afgevallen bladeren of bottende planten, al naar gelang het seizoen dat je erdoorheen wandelde. Maar het merendeel aan de olfactorische souvenirs die je terug naar de oppervlakte kunt halen, is hoogst waarschijnlijk van andere mensen afkomstig. Iedereen verspreidt van nature een persoonlijke geur, die van individu tot individu verschilt. Iedereen? Behalve één, vertelt Patrick Süskind, namelijk Jean-Baptiste Grenouille. Geboren op de meest stinkende plek ter wereld, als kind van een visverkoopster in het onwelriekende Parijs van de achttiende eeuw, zien we Grenouille dankzij zijn fenomenale reukvermogen uitgroeien tot de grootste maître-parfumeur van zijn tijd. Met een fanatieke ijver die aan Verhelsts Kleurenvanger doet denken, spant deze ambitieuze eenling zich in om alle bestaande geuren te verzamelen en uit te zoeken hoe hij ze uit materialen als glas of metaal kan destilleren.
In dit gesofisticeerde sprookje wordt Grenouilles volledige levensloop beschreven. Middenin zijn universum, tot de rand toe gevuld met subtiele aroma's en essences, staat hij daar, eenzaam en hopeloos vervreemd van ieder menselijk contact. Als hij op de koop toe ontdekt dat temidden van die walmende mensenzee hij de enige is die geurloos rondloopt, ligt er maar één weg voor hem open om het beste menselijke parfum voor zichzelf te veroveren: de bezitter ervan vermoorden...
Onder de historische romans is Het parfum intussen tot de canon gaan behoren, maar mij kreeg het nooit werkelijk in zijn ban. Wellicht is het aan Süskinds al te vlakke stijl te wijten dat het verhaal, ondanks de vele research waarop zijn beschrijvingen van het toenmalige stadsleven gebaseerd zijn, niet werkelijk overtuigt. In de eerste hoofdstukken walg je nog van de stank die in de Parijse straten hing, maar verderop slaagt de auteur er niet meer in cruciale geuren bij de lezer op te roepen. Dan ga je ook beseffen hoe zwaar de taak is van degene die een olfactorische ervaring wil beschrijven: we zijn blijkbaar zelden meer in staat scherp met onze neus waar te nemen. Nee, en bij Süskind zullen we het jammer genoeg ook niet leren.
Verschenen in: 1985
Oorspronkelijke titel: Das Parfum
De impressie is geschreven door: Piet
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Uwe Timm
Wat de boekdrukkunst met curryworst gemeen heeft, is dat er over wie de uitvinder ervan is nog altijd wordt getwist. Uwe Timm brengt in zijn boek naar voren dat het de Hamburgse Lena Brücker geweest zou zijn die de curryworst heeft ontdekt. De verteller van de roman, over hem zelf komen we niet veel te weten overigens, is benieuwd naar de achtergrond van de culinaire vondst en gaat bij de inmiddels oude en blinde dame in het bejaardentehuis op bezoek. Terwijl ze aan een trui voor haar kleinzoon breit, vertelt ze hem stukje bij beetje over de curieuze geschiedenis die tot de curryworst leidde. We gaan met haar terug naar de oorlogsjaren, naar haar appartement in Hamburg waar ze een onbekende deserteur verborgen hield en voor wie ze uiteindelijk ook de capitulatie van de stad verzweeg. Wat dat nu allemaal met curryworst te maken heeft, vraagt de ik-persoon zich na enige tijd af. Ja, dat komt pas later aan de orde, hij mag eerst nog even verderluisteren naar de huiselijke vertellingen van de gebeurtenissen die er aan vooraf zijn gegaan.
Als lezer krijg je hierdoor een goed, waarheidsgetrouw beeld van de 'gewone' Duitser tijdens de oorlogsjaren (zie ook Tessa de Loo's De tweeling). De beschrijvingen van Uwe Timm zijn treffend, maar zijn niet zo dramatisch dat ze zwaar op de maag liggen. In zijn geheel zou je het boek zelfs luchtig kunnen noemen: bij vlagen is het geestig, altijd is het kleurrijk.
Verschenen in: 1993
Oorspronkelijke titel: Die Entdeckung der Currywurst
De impressie is geschreven door: Karlijn
Boek uitgelezen op: 26 oktober 2005
Omhoog naar het overzicht van de boeken op deze plank
Geschreven door Christa Wolf
Waar stilte heerst, daar ligt de weg open voor de literatuur. Daar waar de taal ophoudt, dient de schrijver verder te gaan. Misschien bestaat zijn of haar taak er voornamelijk in het verhaal van de collectieve verbeelding uit te breiden, aan te vullen, te herijken. Onverschillig of onder dit door een gemeenschap gedragen verhaal de politiek-economische ordening, het wetenschappelijke en/of religieuze wereldbeeld, de (officiële) geschiedenis of het culturele erfgoed wordt verstaan, in de schrijver vindt het Woord dat deze gedeelde ficties genereert en voedt, het medium bij uitstek waardoor het zich vernieuwen kan. Juist omdat het Woord in de loop van het literaire schrijfproces tot de grens van het reeds bekende wordt gedreven, en er zelfs in uitzonderlijke gevallen in slaagt zoals Orpheus het schimmenrijk van het vooralsnog onbenoemde te betreden, verkrijgt het soms die geweldige subversieve kracht waarom schrijvers met name in dictatoriale regimes gevreesd en gehaat worden. Ofschoon de agressie van de heersende klasse zich dan veelal tegen deze individuen keert die de zogenaamd ondermijnende teksten hebben genoteerd of gepubliceerd, is er niet noodzakelijkerwijze sprake van een bewust sociaal engagement bij deze mensen. En mocht het zo zijn dat zij zich wel betrokken voelen bij de gebeurtenissen in hun directe omgeving, dan nog school daarin niet de hydra die volgens de machthebber haar vele koppen opsteekt in hun literaire werk. Het gevaar of de redding - naargelang het standpunt van waaruit je het bekijkt - dat schrijvers belichamen heeft weinig te maken met hun persoonlijke wil, gevoelens of verlangens, maar daarentegen alles met de potentiële aantasting van de gevestigde symbolische orde door het taalexperiment. De despoot weet als geen ander dat het geloof aan zijn almacht zal tanen, zodra een alternatief verhaal verteld kan worden dat de lacunes in het zijne aanwijst en blijkt dat ook hij niet machte is het proces van betekenistoekenning een halt toe te roepen.
Dit had de Oost-Duitse Christa Wolf heel goed begrepen toen ze in 1983, ten tijde van de heroplaaiende spanningen tussen Oost en West en de daarmee gepaard gaande gespierde oorlogsretoriek in beide kampen, haar herwerking van Homèros' Ilias uitbracht. Door middel van Kassandra vestigde ze immers de aandacht op enkele notoire 'leemtes' in deze oertekst van de westerse beschaving. Dit meer dan 2500 jaar oude epos, dat zoals bekend de laatste tien dagen van de Trojaanse oorlog vanuit Grieks perspectief beschrijft en daarbij vooral de heldendaden van Agamemnons manschappen bezingt, wordt in deze postmodernistische versie grondig herzien: behalve dat deze roman het volledige verloop van het conflict samen met de lange voorgeschiedenis en nasleep ervan schetst, werpt hij er tevens een geheel ander licht op omdat de verteller van dienst zich ditmaal binnen de muren van de belegerde stad bevindt en bovendien een vrouw is. Niet zomaar een vrouw evenwel, maar de lievelingsdochter van koning Priamos, de priesteres Kassandra wier doemvoorspellingen in weerwil van haar waarachtige zienersgave steevast op ongeloof stuiten.
De mythische strijd tussen Hellas en Ilion is bij Wolf ontaard tot een minutieus geënsceneerde poppenkast waar duizenden goedgelovigen het slachtoffer van worden: Kassandra komt er namelijk achter dat de Spartaanse prinses Helena, die door Paris werd geschaakt en om wie het bloedvergieten is begonnen, helemaal niet in Troia is maar onderweg ernaartoe door de Egyptische koning is ingepikt. Niettemin heeft het Trojaanse propaganda-apparaat de mare verspreid dat Helena wel degelijk in het paleis verblijft en houdt het deze fabel in stand, om tegenover de Grieken toch hoegenaamd geen gezichtsverlies te hoeven lijden. Wanneer Kassandra zich openlijk tegen deze slinkse praktijken uitspreekt, wordt ze zelfs op bevel van haar eigen vader gevangengezet. Eenmaal bevrijd kan ze haar geliefde stad nog slechts ten onder zien gaan omwille van een fantoom...
Wachtend voor de leeuwenpoort van Agamemnons burcht in Mykena tot haar doodvonnis wordt voltrokken, denkt de onfortuinlijke profetes terug aan haar voorbije leven en liefde voor Aineas die thans rondzwerft op zee, op zoek naar een geschikte plek om een nieuw rijk te stichten.
Niettegenstaande Wolfs poëtische stijl zindert dit werk ook van de sociale kritiek. Zo lijkt het ondermeer te suggereren dat de Ilias niet zozeer tot op heden gecelebreerd werd vanwege de onbetwistbare artistieke merites ervan, maar veeleer ter legitimatie van het erin geaffirmeerde patriarchaat.
Verschenen in: 1983
De impressie is geschreven door: Piet
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je staat nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek die gevestigd is op het Literaplein.
Je kunt terugwandelen naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS, of vraag de weg in het Tourist Office.
Meer over Duitsland in de bibliotheek:
Jonathan Safran Foer - Extreem luid & ongelofelijk dichtbij
Tessa de Loo - De tweeling
Jorge Semprun - Schrijven of leven
Copyright © FILOGOPOLIS