“Als ik de baas zou zijn van het journaal, dan werd meteen het nieuws een heel stuk positiever”: de songtekst van Kinderen voor kinderen klinkt door wanneer je het opiniestuk leest dat Marco Visscher (adjunct-directeur van het blad Ode) vrijdag 15 december in nrc.next schreef. Hoewel hij zich met name op de dagbladpers richt, is de strekking ervan nagenoeg hetzelfde als van het vrolijke kinderliedje. Er gebeuren zoveel fantastische dingen in de wereld – mensen werken aan vredesprocessen, richten bijzondere initiatieven op voor het wel en wee van allerlei maatschappelijke groepen, enz -, waarom is dát niet het nieuws dat journalisten de wereld insturen in plaats van berichten over bomaanslagen, politieke brandhaarden en criminele wandaden? Journalisten, die hij als professionele angstzaaiers betitelt, creëren op zo’n manier een klimaat van vrees en achterdocht in plaats van dat ze iets goeds voor hun lezers doen, namelijk “de uitdagingen schetsen, zoekend naar manieren om bij de lezer een ingeving op te roepen.” Journalisten moeten in het vervolg met verhalen over mogelijkheden en oplossingen (“inspirerende journalistiek”) lezers uitzicht bieden op “hoop en een concreet handelingsperspectief.”
Visscher citeert in zijn artikel Joris Luyendijk, voormalig Midden-Oostencorrespondent voor onder meer de Volkskrant en NRC Handelsblad. In zijn boek Het zijn net mensen beschrijft hij hoe negatieve berichtgeving die zich richt op geweldsuitbarstingen wellicht ook op zijn beurt weer geweld kan uitlokken. Tegenover het nieuws over schokkende incidenten in de Arabische wereld plaatst hij de alledaagsheid in die landen – het doodgewone leven in straten, dorpen en steden, de plaatselijke humor enz. – die lezers veel meer vertrouwen zouden inboezemen.
Luyendijks betoog betreft echter niet een zucht naar opwekkende krantenkoppen, maar het belang van de context waarin het nieuwsfeit heeft plaatsgevonden. Een bericht over een terreurdaad hier of daar krijgt bij de lezer veel meer begrip wanneer hij het kan kaderen in een historische, culturele of maatschappelijke achtergrond. Als hij enig besef heeft van het ‘gewone leven’ in een ver land als Koeweit of Irak, zal hij de betekenis van de ongewone (en daarmee nieuwswaardige) gebeurtenissen veel beter bevatten.
Zowel Visscher als Luyendijk lijken met hetzelfde probleem in hun maag te zitten: lezers die dagelijks hun krant doornemen denken dat ze op de hoogte zijn van wat er in de wereld speelt. Ze gaan ervan uit dat het belangrijkste wat er op de gehele aardbol voorvalt in de media staat vermeld en aangezien ze die elke dag in de gaten houden ontgaat hen niets van relevante informatie, denken ze.
Toch wel, stellen beide journalisten. Voor Visscher is die relevante informatie de positieve ontwikkelingen. Er gebeuren immers net zoveel goede als slechte dingen, en verslaggevers moeten er volgens hem eens mee ophouden die goede zaken stelselmatig buiten beschouwing te laten. Hij heeft gelijk dat je zelden berichten over creatieve projecten in zorginstellingen, bedrijven met een maatschappelijke missie of elkaar vijandige bevolkingsgroepen die samen een dialoog aanvangen op de voorpagina’s aantreft. Maar op andere plaatsen in de krant is daar wèl ruimte voor en journalisten benutten die ook steevast. Ze schrijven daar achtergrondartikelen over boeiende projecten en maken er ruimte vrij voor nieuwsverhalen met een persoonlijk tintje. Dergelijke stukken kunnen domweg niet op de voorpagina terechtkomen, want het gaat hierin meestal over processen die hun effect hebben op de langere termijn. Kranten worden dagelijks in eerste instantie geacht echt ‘nieuws’ te brengen, dus ongewone, ongewenste gebeurtenissen die vooral aan een tijdstip toe te schrijven zijn. Voor inspirerende en opbeurende verhalen moet de lezer zijn krant verder doorbladeren, of zich wenden tot tijdschriften, televisiereportages of de kunst.
Luyendijk stelt een complexer probleem aan de kaak. Of eerder een verstikkender web van problemen dat ervoor zorgt dat de werkelijkheid in het Midden-Oosten (dat is immers de regio die Luyendijk vertrouwd is) niet spoort met het beeld dat wij er via de media van krijgen. Als het al mogelijk is een werkelijkheid objectief weer te geven, gebeurt dit op dit moment in ieder geval totaal niet. Dit komt niet alleen door het alledaagse leven in het Midden-Oosten die wij niet te zien krijgen en tegen de achtergrond waarvan wij dus ook de geweldplegingen niet kunnen plaatsen. Er zijn nog veel meer belemmeringen in het spel. In zijn boek Het zijn net mensen laat hij er vele de revue passeren. Hij vertelt bijvoorbeeld over de praktische kant van het correspondentschap in Israël. Bij aankomst ligt het bedje al voor je gespreid: gespecialiseerde voorlichtingsbureaus hebben prachtig materiaal voor je klaarliggen. Het zijn hele mappen vol informatie waar je direct mee aan de slag kunt. Als journalist word je door Israël op al je wenken bediend. En dit gebeurt terwijl het Palestijnse persvoorlichtingsapparaat bij lange na niet zo strategisch is georganiseerd. Het resultaat is eenvoudig af te leiden: journalisten die in al hun onschuld gebruik maken van de Israëlische ‘service’ produceren automatisch gekleurde krantenberichten.
De verslaglegging van de realiteit wordt ook vaak belemmerd door de machtsstructuren in een land. Waarom horen wij bijvoorbeeld nooit hoe mensen uit het Midden-Oosten over Osama bin Laden denken? Luyendijk geeft hier een antwoord op. Als correspondent kun je het op straat wel aan mensen vragen en respons krijg je ook, maar voor publicatie in een Nederlands dagblad moet je de uitspraken die je doet kunnen staven met bewijsmateriaal. Je kunt best schrijven dat die man van de straat dit of dat van mening is, maar je moet het citaat onderschrijven met een algemeen geldende bewering. Hoeveel procent van zijn landgenoten is het met hem eens? Je hebt er opiniepeilingen voor nodig, en in dictatoriale (Arabische) landen worden deze vanzelfsprekend niet gehouden. Als journalist loop je hierdoor spaak en je moet vaststellen dat jij de vraag die je voor je thuisfront zou willen behandelen (wat vindt de gewone mens van Osama bin Laden?), simpelweg niet kúnt beantwoorden.
Luyendijk geeft in zijn boek tal van dit soort inkijkjes in de praktijk van het journalistieke vak en het correspondentschap. Hij spreekt vanuit het perspectief van de ervaringsdeskundige, en kan daarom al zijn uitspraken uitgebreid illustreren aan de hand van anekdotes uit zijn Midden-Oostenperiode. Dit leidt tot een heldere en levendige tekst die al zijn lezers van hun overtuiging zal ontdoen dat nieuwsberichten betrouwbaar, objectief en allesomvattend zouden zijn.
Geschreven door: Karlijn
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je bevindt je nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek (in de afdeling boeken uit het Midden-Oosten) die gevestigd is op het Literaplein.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Radiofragment extra muros:
Op 21 juni 2006 was Joris Luyendijk te gast bij Kunststof waar hij over het boek werd geïnterviewd. Het betreffende fragment kun je op de website, in het archief, beluisteren.
Copyright © FILOGOPOLIS