Kafka, een mens zal er wel zijn hele leven zoet mee blijven. Toen ik een paar jaar terug tijdens mijn winter in Polen een verzamelbundel met zijn bekendste kortverhalen las, waaronder De gedaanteverwisseling, In de strafkolonie en het vonnis, scheen het mij toe alsof het tussen mijn handen nog harder vroor dan buiten het raam, waar de temperatuur toch rond de -15 graden schommelde. Hoewel mijn bewondering voor deze concieze, loepzuivere schriftuur meteen grenzeloos was, liepen de rillingen langs mijn rug bij het ontdekken van het erin verpakte wereldbeeld. Ijskoud was het, desolaat en beroofd van iedere hoopvolle verwachting.
Toch weet je ergens diep vanbinnen dat, alle verwarring veroorzaakt door de eerste kennismaking ten spijt, zo'n uitzonderlijk stilist je nooit meer met rust zal laten. En inderdaad, vooral na onlangs Max Brods prachtige biografie over zijn boezemvriend Franz verslonden te hebben, voelde ik me gesterkt om de handschoen opnieuw op te nemen. Net als K., het hoofdpersonage uit de beroemde roman, begaf ik mij op weg naar het slot waarvan het mysterie zo onweerstaanbaar lonkte... Het volgende citaat uit het eerste hoofdstuk over K's aankomst in het ondergesneeuwde dorp, waar hij als landmeter is aangesteld, zet onmiddellijk de toon:
"Van de berg waarop het slot stond was niets te zien, hij was omgeven door mist en duisternis; zelfs niet het zwakste schijnsel duidde aan waar het grote slot lag. Lange tijd stond K. stil op de houten brug die van de grote weg naar het dorp leidde, en keek omhoog in de schijnbare leegte."
Spoedig bemerkt K. dat in dit dorp iets heel vreemds aan de hand is. Al het reilen en zeilen, van de geringste commerciële transactie tot en met de levensloop van iedere inwoner, wordt er immers gereglementeerd en bestierd door de "Graaflijke Overheid" die in het slot gevestigd is, een geheimzinnig complex dat K. verschillende keren tevergeefs zal trachten te bereiken. Aan den lijve ondervindt hij hoe de machtige kaken van de slot-administratie zich ook rond zijn persoontje beginnen te sluiten. Hij wil namelijk zijn beklag doen bij de heren ambtenaren, omdat er duidelijk een misverstand in het spel is omtrent zijn aanstelling. Men heeft hem wel van overheidswege ontboden, maar wanneer hij bij de burgemeester informeert waar hij met zijn opmetingen moet starten, geeft de brave man - zelf een hulpeloze marionet die naar de ambtelijke aktes danst - hem te kennen dat ze in het dorp eigenlijk volstrekt geen landmeter nodig hebben. Als troostprijs biedt hij K. een voorlopige betrekking als conciërge in de gemeenteschool aan; het blijkt een rotbaantje en de arme K. werkt zich erdoor alleen nog maar dieper in de nesten...
De dorpelingen koesteren van nature een grote afkeer jegens indringers van buitenaf, en als K. het op de koop toe aanlegt met Frieda, een eenvoudig meisje dat het voorrecht genoot om bij een hoge functionaris in de gunst te staan, en daarnaast nog een familie frequenteert, die door de gemeenschap veracht wordt omdat een dochter ervan ooit een 'misstap' beging jegens de autoriteiten, lijdt het geen twijfel meer dat ze K. het liefste zo mogelijk terug naar huis zouden sutren; of zoals de waardin van Die Brücke, de herberg waar K. de eerste dagen verblijft, zegt:
"U bent niet uit het slot, u bent niet uit het dorp, u bent niets. Maar helaaas bent u toch iets, een vreemdeling, iemand die overtollig is en die overal in de weg staat, iemand door wie men voortdurend gedoe heeft, (.)"
Dit boek, helaas onafgewerkt gebleven, beviel me veel beter dan de reeds hierboven genoemde teksten. Waarschijnlijk heeft dit met Kafka's gevoel voor humor te maken, dat hier nadrukkelijker aan de oppervlakte komt. In Het slot, dat hij op latere leeftijd schreef, wordt niet alleen met chirurgische precisie de deplorabele toestand van de Europese, liberale bourgeois-cultuur blootgelegd, maar wint zijn scherpe analyse bovendien enorm aan kracht dankzij de volslagen absurditeit van de geschetste situaties en de ironische bril waardoor K. om zich heen kijkt. Zo stuurt het slot "meneer de landmeter" een doldriest koppel assistenten, Arthur en Jermias, op zijn dak, die hem als schoonthondjes overal volgen maar voor het overige geen poot uitsteken en uitsluitend keet schoppen.
Maar bovenal heeft Kafka zoveel wezenlijks te zeggen. In de eerste plaats onderkent hij als geen ander het gevaar dat de 'verdingelijking' van het bureaucratische bestuur in zich bergt: ambtenaren wijzen iedere persoonlijke verantwoordelijkheid af en vervullen louter de hun toegewezen taak binnen het apparaat. De burger verweest, aangezien de hem regerende overheid geen werkelijk gezicht meer heeft en op basis van duistere beginselen, die nog het meeste weg hebben van willekeur, kan beslissen wie beloond en wie bestraft dient te worden. Maar zoals Brod in zijn verhelderende essay over Het slot aangeeft, bevat het werk ook onmiskenbaar een metafysische dimensie, die aan de politieke ordening overstijgt. Want K. belichaamt eveneens het ontheemde individu dat gevangen in een vijandige wereld de weg is kwijtgeraakt, dat desondanks telkens opnieuw poogt het Hogere Principe te ontraadselen waardoor die wereld betekenis zou verwerven en daarbij a priori gedoemd is te falen.
(Dit artikel is gebaseerd op de oudere vertaling van Guus Söteman, en dus niet op de recentere versie verzorgd door Willem van Toorn en Gerda Meijerink).
Geschreven door: Piet
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je bevindt je nu in twee van de leeszalen van de Bibliotheek (in de afdeling boeken uit Tsjechië) die gevestigd is op het Literaplein.
Zie ook:
Franz Kafka - De gedaanteverwisseling
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS