ß
In de laatste roman van Theodor Fontane (1819-1898) vervult het zonderlinge meer in de buurt van Reinsberg, waaraan rond de vorige eeuwwisseling het slot - in wezen niet veel meer dan een robuuste herenhoeve - van de Pruisische adellijke familie von Stechlin ligt, onmiskenbaar een belangrijke symbolische functie. Het meer staat via diepere aardlagen in verbinding met andere vulkanische gebieden in de wereld, met name rond IJsland en de Indonesische archipel, zodat wanneer het in die verafgelegen streken rommelt, ook het Stechlinmeer begint te borrelen en er schijnbaar een rode haan door het wateroppervlak breekt. Dit gebeurt weliswaar niet vaak, maar als het doorgaans zo rustige meer zich roert geldt het als een soort waarschuwingsteken voor de onontkoombaarheid van op til zijnde veranderingen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat het eigenzinnige karakter van dit meer perfect aansluit bij de rustieke levensomstandigheden in deze uithoek van de mark Brandenburg, tot voor kort het hart van het vroegere Pruisen dat sinds de Duitse eenmaking van 1871 een geruisloze dood aan het sterven is.
Dat het afgelopen is met Pruisen en zijn tradities beseft ook de bejaarde vereenzaamde slotvoogd Dubslav von Stechlin, jonker en voormalig majoor, die terwijl hij zijn eigen einde voelt naderen de drastische maatschappelijke ontwikkelingen van de voorbije decennia overdenkt. Niet gespeend van nostalgie net zomin als van milde zelfspot begrijpt de oude Stechlin dat de aristocratie geen rol van betekenis meer kan spelen nu de sociaaldemocratie definitief vaste grond onder de voeten heeft gekregen. Ofschoon geen reactionair die terugverlangt naar het achttiende-eeuwse verlichte depotisme van Frederik de Grote moet hij toch met lede ogen aanzien dat zelfs zijn vriend Lorenzen, de dominee van het dorp, ijvert voor de gelijkberechtiging van de laagste klassen.
Dubslav herinnert zich vooral welke voorname taak er in het verdwenen koninkrijk aan de jonkers werd voorbehouden: in ruil voor het recht om op hun eigen landgoed vrijelijk hun macht uit te oefenen leverden zij immers eeuwenlang de officieren voor het legendarische Pruisische leger. Zoals Sebastian Haffner in zijn concieze maar voortreffelijke historische studie Pruisen uiteenzet zorgde deze regeling niet alleen voor een machtsevenwicht tussen de edellieden en de koning, maar schiep ze tevens een gevoel van verbondenheid tussen de heer en zijn pachters, van wie de zoons zonder erfrecht ook als soldaat dienden. In een staat die niet gebaseerd was op één nationale identiteit - in Pruisen leefden zowel Duitsers als Polen - of een of andere staatsideologie maar louter gedreven werd door wat Haffner 'staatsraison' noemt, de wil om als politieke eenheid te blijven bestaan, bleek een dergelijke constellatie, waarbij eenieder van het kleinste boertje tot de hoogste baron zijn onvervreemdbare plicht vervulde en hierdoor voor dezelfde Pruisische zaak werkte, dan ook bijzonder succesvol.
Maar die tijd is voorgoed voorbij. Nadat de Pruisische minister-president Otto von Bismarck in 1871 de Duitse statenbond had helpen creëren en zelf de eerste rijkskanselier werd, bracht deze grootste triomf van zijn buitenlandpolitiek ongewild zijn eigen geliefde Pruisen de genadeslag toe. In plaats van de leiding binnen de statenbond te verwerven, zoals Bismarck gehoopt had, werd Pruisen langzaamaan overvleugeld door zijn eigen schepping, het nieuwe keizerrijk.
De vergelijking met het meer dringt zich op omdat zulke omwentelingen in de wereldpolitiek, want dat was de Duitse eenmaking, ook ten huize Stechlin moeilijk onopgemerkt blijven. Wanneer de oude Dubslav bij de parlementsverkiezingen opkomt voor de conservatieven wordt hij verslagen door de kandidaat van de volkspartij. Zijn zuster Adelheid, met wie hij het vanwege haar kwezelarijen overigens niet goed kan vinden en die abdis is van een naburig klooster, moet het zien te rooien met nog amper vier aftandse juffrouwen die stuk voor stuk al even vervallen lijken als de ruïnes waarin ze nog wonen. Het is tijd voor een nieuwe generatie, en toch is er van deze jonge aristocraten al evenmin nog veel te verwachten. Hoewel Dubslavs zoon, Woldemar, het nog tot ritmeester schopt en in die hoedanigheid zelfs naar Buckingham Palace op missie wordt gezonden, zwaait hij al spoedig na zijn huwelijk en het overlijden van zijn vader af.
Ondanks zijn drukke bezigheden als apotheker in Leipzig is Fontane erin geslaagd om in een hele reeks romans, waarvan Stechlin volgens velen het hoogtepunt vormt, de veelbewogen evolutie van het negentiende-eeuwse Pruisen - zijn oorlogen, crises, de periode van de restauratie en de uiteindelijke ondergang ervan - te registreren. Zijn humor en ironie daarbij subtiel maar onverholen: wanneer bijvoorbeeld tijdens het banket na Dubslavs verkiezingsnederlaag de heer Von Altenfriesack met zijn hele keur aan adellijke titels aan het hoofd van de tafel wordt neergepoot en het diner moet voorzitten, blijkt de brave kerel algauw te lomp te zijn om zelfs maar de geringste dronk uit te spreken. Ook de hypocriete burgermoraal van de nouveaux riches, die de oude waarden prediken en ondertussen hun dienstmeiden bepotelen, krijgt geregeld een veeg uit de pan. Ja, een boek waarin verbazingwekkend weinig voorvalt maar des te meer gezegd wordt.
Geschreven door: Piet
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je bevindt je nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek (in de afdeling boeken uit Duitsland) die gevestigd is op het Literaplein.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS