ß
In dit artikel zou ik de stelling willen verdedigen dat talloze verwijzingen naar 'schip' en 'zee' in J.M. Coetzees Foe allegorisch kunnen worden geïnterpreteerd als een deconstructie kritiek op de traditionele (talige) machtsrelaties tussen, enerzijds, de blanke man als usurpator en, anderzijds, de vrouw en de niet-blanke als onderdrukten. Na een korte biografische schets van de auteur zal ik deze analyse uitwerken aan de hand van een globale allegorische lezing van de belangrijkste intertekst, Daniel Defoes Robinson Crusoe, en de systematische herschrijving ervan in Foe. Daarbij zal ik dus met name de aandacht vestigen op de genoemde symboliek.
John Maxwelll Coetzee wordt op 9 februari 1940 in Kaapstad (Zuid-Afrika) geboren als zoon van blanke ouders. Hoewel zijn vader noch zijn moeder van Engelse afkomst is, wordt er thuis Engels gesproken. Nadat Coetzee respectievelijk in 1960 en 1961 cum laude de studies Engelse letterkunde en wiskunde heeft afgerond aan de universiteit van Kaapstad, verblijft hij de daaropvolgende jaren in Engeland waar hij onderzoek verricht voor zijn proefschrift. In 1968 zal hij ten slotte aan de University of Texas promoveren met een dissertatie over het vroege werk van Samuel Beckett. Ondertussen gehuwd en vader van twee kinderen, keert Coetzee begin jaren zeventig terug naar Zuid-Afrika waar hij tot 2000 verbonden blijft aan de universiteit van Kaapstad. Een paar jaar geleden emigreerde hij naar Australië om er in Adelaide te gaan doceren.
Hoewel zijn eerste boek Dusklands reeds in 1969 was verschenen, breekt hij pas elf jaar later internationaal door met Waiting for the Barbarians. Ondertussen groeide hij uit tot een auteur van wereldformaat. Niet alleen mocht hij tweemaal de gerenommeerde Booker Prize in ontvangst nemen, in 2003 werd hem tevens de Nobelprijs voor Literatuur toegekend. Zijn werk getuigt van een grote politieke bewogenheid die hoofdzakelijk voortvloeide uit zijn weerzin tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime waarond
er de auteur meer dan twintig jaar leefde. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat de roman Foe, uit 1986, gegrondvest is op een verregaande reflectie over de (historische) verhoudingen tussen blank en zwart. Wat dit boek evenwel zo complex maakt, is dat het erin geproblematiseerde begrip 'kolonisatie' niet uitsluitend als een 'raciaal' conflict wordt opgevat, maar ook als een confrontatie tussen de seksen. In beide gevallen gaat het immers om een politieke machtsstrijd waarbij de taal, of in engere de zin het discours of vertoog, als onderdrukkingsmiddel fungeert: de blanke man is er eeuwenlang in geslaagd zijn westerse patriarchale discours op te leggen aan zowel de vrouw als aan zijn niet-blanke slaaf uit de kolonies. Ofwel, de blanke man bezit in de hoedanigheid van subject het alleenrecht op het schrijven van de 'officiële' geschiedenis, waarin de vrouw en de niet-blanke louter de rol van object krijgen toegedicht. Wil Foe dit dominante vertoog nu op een effectieve wijze in vraag stellen, dan moet het in de geest van Foucault een deconstructie bewerkstelligen die de daarin geaffirmeerde opposities blank-niet blank, man-vrouw, onderuithaalt. Eén van de belangrijkste strategieën die in deze roman hiertoe worden aangewend, is het herscheppen of allicht parodiëren van een belangrijke cultuurtekst die dit discours juist in sterke mate bevestigde, in dit geval Robinson Crusoe van Daniel Defoe uit 1719.
Dit laatste werk, door de eeuwen heen talloze keren herwerkt en in het onderwijs als "stichtelijke lectuur" gepropageerd, werd immers doorgaans uitgelegd als een pleidooi voor het protestantse waardensysteem. Het gold als het tot voorbeeld strekkende verhaal van de aanvankelijk rebellerende jongeling die, na zijn vader ongehoorzaam te zijn geweest en tegen diens wil voor een bestaan op zee te hebben gekozen, door de 'Providence's en de ontberingen op een onbewoond eiland gevormd een diepe eerbied gaat koesteren voor diezelfde vader en God, waarna hij gelouterd terug op huis aan kan. Tegelijk is het ook de mythe van de mens (lees: man) die de ruige natuur bedwingt, het onontgonnen eiland omtovert tot een nieuw Eden, en 'le bon sauvage' - Friday die hij uit de handen van bloeddorstige kannibalen heeft gered - opvoedt, doopt en 'beschaving' brengt (Morgan, 1994: 83-84).
Het eerste opvallende verschil in Foe ten opzichte van Robinson Crusoe is ongetwijfeld dat de gebeurtenissen op het eiland beschreven worden vanuit het perspectief van een nieuw door Coetzee geïntroduceerd personage, namelijk de schipbreukelinge Susan Barton. In Defoes klassieker kwamen op de obligate rollen na, zoals Robinsons moeder, überhaupt geen vrouwen voor! Het is deze gapende lacune waarin Susan zichzelf als het ware wil 'inschrijven' door haar versie van de feiten naar voren te schuiven (hetgeen Foe overigens probeert te dwarsbomen, maar daarover straks meer). Meteen al in de openingsregels van de roman zien we hoe deze lacune, deze lege vlek die de vrouw in het fallocentrische discours bewoont een symbolische tegenhanger vindt in de zee:
'At last I could row no further. My hands were blistered, my back was burned, my body ached.
With a sigh, making barely a splash, I slipped overboard. With slow strokes, my long hair floating about me, lute a flower of the sea, like an anemone, like a jellyfish of the kind you see in the waters of Brazil, I swam towards the strange island, for a while swimming as I had rowed, against the current, then all at once free of its grip, carried by the waves into the bay and on to the beach. (Coetzee, 1986: 5)
Dit overboord stappen schijnt haar een bevrijding toe, een verlossing van de zware roeiriemen, zodat ze ondanks haar pijn en vermoeidheid het gevoel heeft in een bloem te veranderen die op de golven drijft. Deze helende kracht van het water kunnen we het beste verklaren door te wijzen op de metafoor van het schip die in Susans voorstelling het afgebakende territorium van de man vertegenwoordigt. Een symboliek die overigens geenszins nieuw te noemen is: zowel het bijbelverhaal van de aartsvader Noach die dankzij zijn ark de zondvloed kon overleven als Odysseus die tien jaar lang alle wereldzeeën trotseerde terwijl zijn vrouw op Ithaka op hem zat te wachten, zijn oeroude uitdrukkingen van dit beeld. Op het schip voert de man het bevel en bekleedt hij zodoende de machtspositie taal een performatieve kracht mee te geven, waardoor het beslissen over leven of dood onder zijn bevoegdheid valt (denk maar aan de film Das boot van Wolfgang Petersen). Zodra een vrouw tot dit machistische universum weet door te dringen, dient ze dan ook terstond het hoofd te buigen voor de kapitein en zijn bemanning en zich ten aanzien van hun seksuele suprematie te legitimeren. Aan boord van het schip dat de eilandbewoners terug naar Engeland brengt, moet Susan voor "Mrs Cruso" doorgaan, want zo meent de gezagvoerder: "If the story of Bahia and the mutineers got about, he said, it would not easily be understood what kind of woman I was." (42)
Eenmaal op Cruso's eiland aangespoeld komt Susan er al spoedig achter dat de in zee herwonnen vrijheid opnieuw aan banden dreigt te worden gelegd: zo weigert Cruso een paar schoenen voor haar te vervaardigen, speldt hij haar allerlei leugens op de mouw over de zogenaamde gevaren die buiten hun kampement op de loer liggen en ontsteekt hij in woede wanneer ze het op een dag toch waagt zijn uitgaansverbod te weerstreven. Bovendien mag Susan met geen woord reppen over de hunkering uit deze gevangenschap te ontsnappen die haar bekruipt wanneer ze uitkijkt over de onafzienbare oceaan. Of zoals Cruso het haar tracht in te prenten: "I do not wish to hear of your desire (.) It concerns other things, it does not concern the island it is not a matter of the island." (36) Dit rotsige onherbergzame oord, waar Susan de hoop haar eigen verhaal en waarheid te modelleren andermaal gefnuikt ziet door een patriarchale orde, heeft in haar ogen daarom ook verdacht veel weg van een schip:"When I lay down to sleep that night I seemed to feel the earth sway beneath me. (.) it was the rocking of the island itself as it floated on the sea." (25-26)
Dit spreekverbod waarmee Cruso Susan het creëren van een eigen wereldvisie probeert te ontzeggen, brengt ons bij het tweede punt waarop Foe betekenisvol afwijkt van de intertekst, en wel wat betreft de figuur van Friday. Toonde hij zich bij Defoe nog een leergierige indiaanse 'inboorling' die ijverig het Engels van zijn meester overnam, nu verschijnt een zwarte slaaf ten tonele die geheel en al stemloos is, omdat slavenhandelaren ooit zijn tong hebben uitgerukt. Althans, zo luidt de verklaring die Cruso Susan geeft over de stomheid van Friday, maar het moge duidelijk zijn dat de blanke man hier nogmaals zijn aanspraken op de talige alleenheerschappij laat gelden. Friday kan immers nooit ofte nimmer de ware toedracht van zijn verminking onthullen; mocht Cruso zelf de hand hebben gehad in deze euveldaad, zou Friday hem niet eens kunnen beschuldigen. Ter bescherming van zijn eigen hegemonie stelt de meester ook alles in het werk om de communicatie met zijn slaaf te bemoeilijken door hem slechts een zeer geringe woordenschat bij te brengen. In Cruso's optiek kent Friday "as many [words] as he needs" (21), ofwel genoeg om als louter functionele arbeidskracht de maatschappij en haar economische structuren te bestendigen, maar lang niet voldoende woorden om ditzelfde bestel te kunnen duiden, bekritiseren en bijgevolg eventueel te bedreigen. In Friday herkent Susan daarom logischerwijs de objectrol die ook zij in het dominante vertoog toebedeeld krijgt, waardoor ze hem binnen de reeds aangehaalde metaforiek kan definiëren als behorend tot de zee, het onbekende. Wanneer ze Friday bloemblaadjes ziet uitstrooien in de branding, ervaart ze dit als een fascinerend hoopvol ritueel, in de veronderstelling dat op die plek het scheepswrak moet liggen. Het wrak dat in haar perceptie het tanende westerse imperialistische patriarchaat verbeeldt.
Deze geleidelijke neergang van het dominante mannelijke wereldbeeld zien we overigens ook gepersonifieerd in Cruso, en daarmee raken we aan de derde discrepantie tussen Coetzees hervertelling en het achttiende-eeuwse origineel. Wat is er van de doortastende, van gezondheid blakende kolonisator Robinson Crusoe geworden die dankzij zijn verlichte rede en superieure werktuigen de 'ontdekte' streken naar zijn wil en ideologie kneedde? De Cruso die in Foe opgevoerd wordt, is oud en verzwakt. Zoals we zo-even hebben geconstateerd, onderneemt hij wel een reeks pogingen om zijn oppergezag, taal en wetten als de 'natuurlijke' gang van zaken te consolideren, maar al spoedig blijken het slechts de laatste stuiptrekkingen van een tiran in doodsnood. De eens zo trotse planter legt nu dag in dag uit volslagen nutteloze terrassen aan op de onvruchtbare rotsgrond; hield de veroveraar voorheen in de stijl van Columbus nauwgezet een journaal bij zodat al zijn 'glorieuze' wapenfeiten bewaard zouden blijven voor het nageslacht, thans vertikt Cruso het ook maar het geringste te noteren. Kortom, diep in zijn hart schemert blijkbaar het duistere vermoeden dat zijn bewind langzamerhand ten einde loopt. Ook Cruso's gespiegelde alter ego Foe, wiens Londense werkkamer met Susan en Friday de weerkaatsing vormt van het eiland, lijkt geplaagd te worden door dit besef. Hoewel Susan hem aanvankelijk nog vergelijkt met "a steersman steering the great hulk of the house through the nights and days, peering ahead for signs of storm" (50) - daar hebben we de scheepsmetaforiek weer! -, zit hij in werkelijkheid verloederd, eenzaam en door schuldeisers achtervolgd weg te kwijnen op een achterafkamertje. Enerzijds wil hij net als Cruso zijn goddelijke almacht tentoonspreiden door onder meer Susans verhaal te manipuleren en haar voortdurend aan Bahia te herinneren toen ze nog de traditionele bezorgde moeder was en niet de vrijgevochten vrouw die voor hem staat, maar anderzijds zien we hem nooit de pen ter hand nemen en komt dientengevolge de herwerkte versie van Susans relaas niet tot stand. Niettegenstaande dat zijn pleidooi om Friday te leren schrijven naar imperialisme zweemt - de gekoloniseerde die via de taal van de overheerser van diens cultuur wordt doordrenkt -, toch kan dit embryonale schrijfproces uiteindelijk ook een emancipatie van de onderdrukte inluiden, omdat in een schriftcultuur het zelf creëren van tekst nu eenmaal gelijkstaat aan bestaan verwerven. Het tafereel aan het slot van het derde hoofdstuk waarbij Foe uitgestrekt op bed ligt terwijl Friday achter de schrijftafel zit, ademt dan ook een profetische sfeer.
Opnieuw doemt daar het visioen van de gekelderde westerse ideologie op: het scheepswrak waarnaar een twintigste-eeuwse niet nader bepaalde ikverteller duikt in het merkwaardige slothoofdstuk. Deze 'I' bereikt het gezonken schip via de performatieve openingszin van de roman, die hij of zij in Foes werkkamer leest en zodoende in Susans roeibootje belandt, waarna de onderzeese expeditie begint:
"'Dear Mr Foe, At last I could row no further.' With a sigh, making barely a splash, I slip overboard. Gripped by the current, the boat bobs away, drawn south toward the realm of the whales and eternal ice. Around me on the waters are the petals cast by Friday." (155)
In een ondergelopen kajuit botst de duiker eerst op "Susan and her captain", beiden sterk opgezet door het water. In het westen betekende de vrouwenemancipatie ongetwijfeld één van de ingrijpendste sociale ontwikkelingen uit de voorbije eeuw, die niet alleen de vastgeroeste rollenpatronen maar ook het mannelijke taalmonopolie heeft geslecht. Ofwel, de vroegere Susan die aan het begin van de roman nog genoegen had genomen de bijzit van de kapitein te zijn, is verdronken. De Susan die overleeft is zij die, naarmate Cruso door koortsen geveld verder aftakelt, zelf almaar mondiger wordt, haar verleden dat haar tot moeder of hoer reduceerde afwijst en ten slotte krachtdadig protesteert tegen Foes tirannieke optreden.
In een donker hoekje, zoals steeds, treft de ikverteller ook Friday aan. In tegenstelling echter tot het voornoemde paar draagt zijn lichaam geen uiterlijke sporen van de verdrinkingsdood, maar dat vindt de 'ik' niet echt verrassend, omdat Friday al heel lang vertrouwd is met de diepzee: "But this is not a place of words. (.) This is a place where bodies are their own signs. It is the home of Friday." (157) Hij incarneert immers de stemloze ander, wiens taal en cultuur de kolonisatoren volstrekt koud lieten. Net als de vrouw behoort Friday tot de zee, 'the dark region' voor de blanke westerling, maar terwijl Susan zich een bloem waant die op de golven dobbert en de bemanning van het schip kan toeschreeuwen dat ze machtswellustelingen zijn, leeft hij afgesneden van het woord veel dieper onder de zeespiegel, waar onverbrekelijke stilte heerst. Het is derhalve ook heel belangrijk te onderstrepen dat al wat we over Friday aan de 'weet' komen in Foe, ons door de andere personages wordt verteld. De politieke dekolonisatie mag dan officieel zogezegd voltooid zijn, op economisch, sociaal en cultureel vlak moet er nog heel wat gebeuren eer Fridays ultieme schreeuw om schoon schip te maken boven water gehoord zal worden.
Tot slot wil ik nog eens beklemtonen dat deze allegorische lezing van J.M. Coetzees roman en de daarin verwerkte scheepsmetaforiek geenszins zaligmakend is. Ik heb tal van aspecten onderbelicht moeten laten. Toch nodigt het werk, met name door de keuze van zijn voornaamste intertekst, uit tot een dergelijke analyse en deze bleek duidelijk aanknopingspunten te verschaffen voor verder onderzoek. Zo zou het onder meer bijzonder vruchtbaar kunnen zijn om na te gaan of de gehanteerde symboliek niet bewijst dat Foe zelf, ondanks de erin verwerkte ideologiekritiek, een westers cultuurproduct blijft.
Geschreven door: Piet
Bibliografie
Coetzee, J.M. (1986). Foe. London: Secker & Warburg.
Morgan, Peter (1994). Foe's' Defoe and la jeune née: establishing a metaphorical referent for the elided female voice. In Critique, 35 (2), 81-94.
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je bevindt je nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek (in de afdeling boeken uit Afrika) die gevestigd is op het Literaplein.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS