'Veelkleurig Nederland', 'De gasbel', 'Annie M.G. Schmidt', 'Suriname en de Nederlandse Antillen', 'Srebrenica' en 'Europa' zijn de zes vensters die de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon aan de periode 1945-2005 heeft vastgeklonken. Ze geven een aardige, zij het ietwat fragmentarische, suggestie van wat er zoal speelde in die periode en van de achtergrond die Hugo Brems gebruikte bij het schrijven van zijn overzichtswerk Altijd weer vogels die nesten beginnen: geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005.
Brems' boek is het zevende uit een serie over de Nederlandstalige literatuurgeschiedenis die in opdracht van de Taalunie is opgezet. Het verscheen tegelijk met het eerste deel, Stemmen op schrift: geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 van Frits van Oostrom, dat overigens heel wat meer media-aandacht kreeg en zelfs op de toplijst van de AKO Literatuurprijs 2006 heeft geprijkt. De vijf tussengelegen titels zijn nog niet op de markt, maar die mogen we tussen nu en 2010 verwachten.
De historische, sociale en culturele ontwikkelingen uit de afgelopen decennia vormden een van de belangrijkste leidraden van Brems' geschiedenis van de recente literatuur. Als je het standaardwerk leest kun je niet anders concluderen dan dat veel tendensen in de letteren in rechtstreekse verbinding staan met dat wat de gesprekken op straat, de psychologie van massa's en de media beheerst, oftewel dat wat doorgaans 'de werkelijkheid' wordt genoemd. Denk maar aan het naoorlogse levensgevoel "van zinledigheid en walging" waar Reves De avonden en in Hermans' Ik heb altijd gelijk zo onvergetelijk van doordrongen zijn. Of het feminisme dat bij Anna Blaman voorzichtig zijn ingang vond en eind jaren '70 pas weer duidelijke tekenen van afkalving vertoonde, maar als literaire stroming nooit erg serieus is genomen. Het feminisme werd ervan beschuldigd vooral een boodschap te willen verkondigen zonder zich om vorm of stijl te bekommeren.
Terwijl de bovengenoemde auteursnamen misschien doen vermoeden dat Brems in zijn geschiedenis alleen de Nederlandse literatuur bespreekt, is wel degelijk niets minder waar. De Vlaamse letteren komen evengoed aan de orde - evenals de postkoloniale uit Suriname en de Nederlandse Antillen overigens. Altijd weer vogels die nesten beginnen is in eerste instantie chronologisch opgedeeld in tijdvakken waarbinnen een variëteit aan thema's wordt aangeroerd (bijvoorbeeld "De vernieuwing van de poëzie"). Brems werkt een aanzienlijk aantal van deze thema's vervolgens voor de twee taalgebieden separaat uit ("De vernieuwing van de poëzie in Nederland" en "De vernieuwing van de poëzie in Vlaanderen"). Dit is vaak noodzakelijk omdat de auteurs uit beide gebieden over het algemeen niet erg geneigd zijn tot saamhorigheid en constante kruisbestuiving, hoewel de bewegingen binnen de literatuur globaal wel dezelfde kant uitwijzen. De poëzie kreeg zo in de jaren '50 zowel in Nederland als in Vlaanderen experimentele impulsen. Terwijl de Nederlandse vernieuwingszin na 1955 echter al weer geleidelijk afbrokkelde - de Vijftigers kenden nauwelijks opvolgers -, bleven de Vlaamse aanhangers ervan vlijtig doorpennen.
Vlaanderen had ook zo zijn eigen 'vensters' waar schrijvers zich op focusten. Een belangrijk ijkpunt is bijvoorbeeld de Belgische staatshervorming (van een unitaire naar een federale staat) die in de jaren '70 en '80 plaatsvond. De hervorming viel samen met een algehele bezinning op de Vlaamse identiteit en de positie van Vlaanderen tegenover enerzijds België en anderzijds Nederland. In de literatuur kwam deze tot uitdrukking in romans als die van Geertrui Daem, die vol compassie het provinciale Vlaamse wereldje schildert waar vanaf de jaren '60 de welvaart in doordringt en ambitieuze middenstanders hogerop klimmen. Welbewust laat ze haar personages in Vlaamse uitdrukkingen spreken en dat verleent haar proza een nostalgisch karakter. De meest Vlaamse roman is ongetwijfeld Hugo Claus' Het verdriet van België, waarover Brems het volgende zegt:
"De roman is niet alleen het magnum opus van Claus, waarin al zijn particuliere obsessies, motieven en registers samenkomen, hij verenigt ook de belangrijkste strekkingen van het Vlaamse proza en overstijgt ze meteen. In Claus' visie op de Vlaamse samenleving en op de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog is het een politieke roman. Tegelijk is het een autobiografische ontwikkelingsroman: het hoofdpersonage, Louis Seynaeve, is een gefictionaliseerde versie van de jonge Claus in de jaren 1939-1948, die opgroeit van kind tot aankomend schrijver en die zijn houding moet bepalen tegenover familie, opvoeders, seksualiteit, ideologie en figuren die zich opwerpen als politieke en literaire vaders. In de loop van die ontwikkeling wordt het ook een roman over het schrijven en het schrijverschap."
Net als de gehele samenleving is ook het literaire klimaat, op een meer autonome manier, natuurlijk constant in beweging. We spraken al over de Vijftigers die nieuwe wetten voor de poëzie opstelden of, in termen van Paul Rodenko, "Nieuwe griffels, schone leien" aanreikten. Naarmate de tweede helft van de twintigste eeuw vorderde, werd het echter meer uitzondering dan regel dat auteurs zich in groepen verenigden en zich eensgezind voor een verandering van de literatuur uitspraken. Schrijvers als J. Bernlef, Gerrit Krol, Willem Brakman, K. Schippers en Ivo Michiels hadden weliswaar hun persoonlijke visie op de literatuur, maar verkondigden die individueel. Hun platform was het literaire tijdschrift waarbij ze zich aansloten, en waar ze gelijkgestemden troffen met wie hun ideeën min of meer strookten. De onderverdelingen in literaire stromingen werden dan ook veelal gemaakt aan de hand van de eigenschappen die je aan de verschillende literaire tijdschriften kon toeschrijven. Zo had je bijvoorbeeld het 'Revisor-proza' dat zich kenmerkte door weloverwogen teksten, die een duidelijke constructie vertonen en veel betekenislagen en verwijzingen bevatten.
Dergelijke hokjesverdelingen lijken handig, maar kunnen evengoed gemeen bedrieglijk zijn. Gelukkig stijgt Brems dan ook torenhoog boven de etiketjesplakkerij uit en onderkent hij in zijn literatuurgeschiedenis niet alleen de overeenkomsten tussen groepen auteurs, maar benadrukt hij vooral de talrijke verschillen die ieder hun uniciteit verleent. Brems is voorzichtig met het benoemen van globale tendensen in de letteren, hij beschrijft liever de kwaliteiten en eigenzinnigheden van individuele dichtbundels en romans.
Bij zijn introductie van het begrip 'postmodernisme', dat vanaf 1985 in Nederland in zwang raakte en dat veel critici sindsdien naar hartelust loslieten op alle hedendaagse literatuur die ervoor in aanmerking kwam, vertrekt hij zo vanuit een fragment van een roman van Atte Jongstra, Het huis M. Memoires van een spreker. Daarin stelt de schrijver de ontologische status van de realiteit aan de kaak: de realiteit die het hoofdpersonage uit zijn raam waarneemt, schijnt hem namelijk ineens als een wonderbaarlijk winterboek toe. Ook in de boeken van Peter Verhelst wordt het onderscheid tussen werkelijkheid en droom hevig aan het wankelen gebracht. Tongkat is "een woekering van verhalen" waarbinnen je als lezer geen vaststaande betekenis kunt ontwaren:
"Het is een wereld vol metamorfosen, waarin ook beelden met motiefwaarde geen eenduidige symbolische betekenis dragen. Terwijl zij de lezer ertoe schijnen uit te nodigen een samenhangende, overkoepelende zin te vinden voor de roman, verzetten zij zich daar juist tegen".
Hoe gedienstig Tongkat ook mee zou werken mocht je hem met Charlotte Mutsaers Rachels rokje en Marcel Mörings In Babylon in een keurig geschikte opsomming van 'romans met postmoderne trekken' willen plaatsen, neemt Hugo Brems niet die makkelijke weg. Hij laat de karakteristieken van de individuele auteurs en romans daarentegen zegevieren boven de globale en veelal abstracte kenmerken van literaire stromingen en bewegingen. Daardoor wekt hij bij zijn lezers een overweldigende leeslust op ('díe schrijver wil ik eens leren kennen, díe dichtbundel wil ik ook gaan lezen!'), en blijft de literaire terminologie datgene waarvoor zij bedoeld is: een praktisch instrumentarium om verbanden en invloeden mee te beschrijven.
Daarnaast wijst Brems een plaats toe aan het overkoepelende literaire veld: de uitgeverijwereld, de opkomst van de pocketseries, het ontstaan van de boekenbijlagen, etc. Die laatste namen een aantal belangrijke functies van het literaire tijdschrift over, dat sinds de jaren '80 dan ook drastische pogingen moest ondernemen om zijn positie te bewaren. De boekenbijlagen zorgden ervoor dat het grote publiek sneller en eenvoudiger met literatuur in aanraking kwam. Die ontwikkeling ging samen met een grootscheepsere mediatisering van de literatuur: schrijvers werden publieke figuren, begonnen lezingen te houden, werden actief op televisie en gaven steeds meer optredens (denk aan de Nacht van de Poëzie). De één juicht deze openheid toe, de ander ziet het als een schrikbeeld omdat het zijns inziens de kwaliteit van het literaire boek niet ten goede komt. De bestseller is daar een perfect voorbeeld van. Steeds meer worden de boekentoptiens gedomineerd door boeken van Dan Brown, van Kluun, etc. De media en in de boekwinkels vergroten het succes van deze titels enorm uit, wat weer leidt tot hogere verkoopcijfers. Daardoor lijkt de opgaande spiraal van deze boeken geen einde meer te kennen en verdwijnen de betere romans steevast uit het zicht.
Daar kun je een eenvoudig argument tegenin brengen: echte lezers zullen kwalitatief hoogstaande boeken altijd wel weten te selecteren en de hoge verkoopcijfers van de andere negeren. Dit is ook wat Brems met Altijd weer vogels die nesten beginnen stimuleert: ieder individueel boek zelfstandig op zijn waarde schatten, zonder mensenmassa's na te volgen en evenmin zonder de grote woorden ('Postmodernistisch Proza!') als leidraad in de literaire zoektocht te nemen. Anders dan De canon van Nederland laat Brems zich niet gidsen door veralgemeniseringen, maar heeft hij oog voor de kleinste details van ieder werk. Precies zoals de plooien van Rachels rokje die cirkelen, zwieren, draaien, rimpelen en vrolijk opwarrelen.
Geschreven door: Karlijn
Reageren op besproken boeken? Dat kan via de Bibliobus
Je bevindt je nu in een van de leeszalen van de Bibliotheek (in de afdeling literatuur- en tekstkritiek) die gevestigd is op het Literaplein.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS