6. Hoewel ik het strikt filosofisch beschouwd op een heleboel punten met hem eens ben, heb ik uit praktische overwegingen enig scepticisme toch nooit helemaal weten te onderdrukken. Want al is de schilder Armagan onbetwistbaar het levende bewijs van de geestelijke mogelijkheden waarover blinde mensen beschikken om zich visueel te uiten, betekent dit nog niet dat iedereen die het gezichtsvermogen moet ontberen zich hier effectief voor interesseert. Integendeel zelfs zou ik zeggen; het lijkt er eerder op dat het deze mensen veelal koud laat. Valt daar een logische verklaring voor te vinden? Amedi, een andere wetenschapper die bij de voornoemde scansessie betrokken was, vermoedt dat hoe de visuele hersengebieden worden benut tot op zekere hoogte afhangt van wie je bent en waarvoor je ze nodig hebt. Bij deze laatste determinerende factor gluurt de evolutietheorie al om het hoekje, en hoewel ik de impact daarvan in dit geval op geen enkele wijze zou willen minimaliseren, moet de identiteit - als sociale constructie - hier waarschijnlijk toch als de protagonist worden geïdentificeerd. Wie vanaf zijn geboorte blind is of dat op latere leeftijd is geworden moet in de eerste plaats de praktische ongemakken die ermee gepaard gaan zien te overwinnen; dikwijls verloopt deze fase erg moeizaam, en voor sommigen komt er zelfs nooit een eind aan. Velen voelen zich uitgesloten en slagen er vaak niet voldoende in deze frustraties te luchten, laat staan met behulp van visuele middelen die door henzelf en hun naaste omgeving a-priori met 'ontoegankelijk' worden gelabeld. In technisch opzicht hebben ze meestal wel gelijk - een foto bv. is voor een blinde een glanzend stuk papier waar hij alleen verder niet zoveel mee kan -, tot het ogenblik waarop het idee gaat rijpen dat dit soort media dankzij een wisselwerking tussen blinden en zienden hun boodschap wel kunnen prijsgeven - beschreven en becommentarieerd overstijgt diezelfde foto terstond zijn stilzwijgende stoffelijke dimensie. De overgang naar de digitale cultuur heeft de integratie van personen met een visuele beperking in een stroomversnelling gebracht - onder meer levert de schriftelijke communicatie met zienden nu geen enkel probleem meer op, doordat de laatsten het brailleschrift niet langer hoeven te beheersen -, maar waar de technologie en informatisering de ene na de andere praktische barrière opruimen, laten ze de beeldende kunst angstvallig links liggen, of toch tenminste grotendeels en dat is een spijtige zaak. Voor wie gedurende een zekere periode heeft kunnen zien, kan het voortzetten en het voeden van het mentale beeldvorming immers een serieuze houvast verschaffen, terwijl dit tegelijk blindgeboren mensen kan aansporen niet zonder slag of stoot te accepteren dat dergelijke esthetische ervaringen voor hen altijd een ondoorgrondelijk mysterie zullen moeten blijven. Natuurlijk rijst dan wel de vraag hoe je die schoonheid die op het gezichtsvermogen is georiënteerd omzet in een voor hen leesbare en verzendbare code.
Wanneer je een mooi beeld in woorden probeert te vangen, neig je er al gauw toe ook je taalgebruik te verfraaien, waardoor beeldende kunst het gevaar loopt literatuur te worden. Toch is de taal niet uit deze overdrachtsrelatie weg te denken, en dat hoeft ook helemaal niet: een exacte en zo objectief mogelijke beschrijving - in zoverre een ultrasubjectief medium als taal dat toelaat - garandeert voor de blinde ontvanger ervan waarschijnlijk de meeste kans op relatieve interpretatievrijheid. Als deze persoon het kunstwerk daarnaast nog kan betasten - een beeldhouwwerk, een installatie, een reliëfversie van een foto of een schilderij -, zal hij zich toch vrij goed kunnen voorstellen hoe het voor de ziende kijker oogt. Dit geldt in ieder geval voor mensen die net als ik erg visueel denken, en dan is ook het pad geëffend voor de persoonlijke waardering. Doet het ertoe dat hun beeld dan niet volledig correspondeert met wat de ziende direct waarneemt? Kunst communiceert, roept een sensatie op, weekt ideeën los, en ook al komen die bij een blinde kunstliefhebber soms trager en anders tot stand, hoeft dat niet noodzakelijk afbreuk te doen aan zijn beleving ervan. Nadat Tenberken dat meer in het Tibetaanse hoogland haast lyrisch heeft beschreven, vervolgt ze:
"Toen ik daar zo zat, neus en voorhoofd tegen het autoraam gedrukt om maar niets van de kleurrijke lust voor het oog te missen, tikte Thierry mij op mijn schouder en zei op licht geamuseerde toon: 'Ik wil je niet betuttelen, maar als je de Namtso wilt zien, kun je beter naar de andere kant kijken. Je kijkt
nu namelijk alleen maar naar lelijke, grijze rotsen.'
Veel ziende mensen aan wie ik dit verhaal vertel, zijn tot tranen toe geroerd. Zij denken dat het voor mij een schok moet zijn geweest dat mijn voorstellingsvermogen zo met mij op de loop kon gaan. Maar ik heb er lol in, want deze scène maakt mij duidelijk dat ik over een rijke fantasie beschik."
De kijker die voor het doek Wrack im Eismeer van Caspar David Friedrich staat, ondergaat wellicht een soortgelijke ervaring: de stilte eigen aan de schilderkunst wordt oorverdovend overstemd door de krakende ijsmassa's waarin het zinkende schip verdwijnt. Doordat de directe perceptie simpelweg onbestaande is, wordt de mentale terugslag ervan vele malen versterkt. Dit is het dwingende principe dat blinde kunstenaars ertoe deed besluiten met fotografie te gaan experimenteren. *7 Sommigen onder hen, van wie misschien vooral de Frans-Sloveense Evgen Bavcar tot bij ons is doorgedrongen, genieten voor hun werk intussen internationale erkenning.
Zelf ervaar ik continu hoe een beeldenvloed mijn artistieke bezigheden drijft. Beelden die vanwege hun puur persoonlijke invulling en betekenis dermate intiem zijn, dat ze slechts in en door kunst bestaansrecht krijgen. In het literaire taalspel van mijn teksten moeten de rijk geschakeerde woorden in elkaar passen als tegels van een mozaïek. Ik wil me ook al jaren meer toeleggen op fotografie. Samen met mijn vriendin onderneem ik regelmatig fotografische strooptochten - op reis of gewoon hier de Lage Landen - om die honger te stillen, maar tezelfdertijd laat de drang tot enscenering haar uitdagende lokroep steeds harder horen.
Overigens kan een systematische openstelling van het beeldende kunst-debat voor blinden ook ziende mensen een aanzienlijke meerwaarde bieden. De zichtbare werkelijkheid die niet minder dan de waarheid claimt te zijn, kan de broodnodige nuancering niet langer ontlopen: de overige zintuigen worden in ere hersteld, en het beeld wordt wat het is, een stukje wereld zoals altijd door een mens geproduceerd of geselecteerd. En waar kunst intersubjectieve communicatie is, zal iedere nieuwe zender of ontvanger een verrijking zijn. Net als bij literatuur geldt voor de beeldende kunst dat zij een ervaring is; als we een methode kunnen uitwerken om iedereen die wil ervan te laten proeven, kan dat de diversiteit aan visies slechts ten goede komen. De blinde tentoonstellingbezoeker wil zoals als iedere andere kunstliefhebber kritisch kunnen oordelen over de kwaliteiten en minpunten van plastisch werk, in de bioscoop wil hij zijn adem voelen stokken bij paradijselijke natuurdecors, hij wil uit zijn tent gelokt worden door provocerende foto's. Wie van mening is dat voor iemand die blind is visuele esthetiek een Tantaluskwelling moet blijven, vergist zich deerlijk: de kneedbare menselijke geest past zich aan en zal die schoonheid op basis van de aangereikte gegevens op eigenzinnige manier proberen te herscheppen.
Tot slot wil ik nog kort recapituleren waar ik Milligan bijval wanneer hij de weegschaal van de kennis definitief naar het conceptuele weten laat overslaan en op welke punten ik hem wil aanvullen of zelfs tegenspreken. Wanneer de filosoof als antwoord op de vraag hoe blindgeborenen vertrouwd kunnen raken met de visuele ervaringswereld, de kennis die de taal als verschijningsvorm en transportmiddel kiest een sleutelrol toeschrijft, slaat hij zonder meer de spijker op de kop. Daarentegen verwaarloost hij mijns inziens te veel het belang van de verbeeldingskracht: aan de hand van proposities en zijn andere zintuiglijke waarnemingen kan deze blinde persoon immers een mentale voorstelling oproepen die zelfs niet noodzakelijk veel van een directe visuele ervaring hoeft af te wijken, zoals het onderzoek-Armagan ons heeft geleerd. Wel is het zo dat veel blinden, vooral wie nooit heeft kunnen zien, van jongs af aan gestimuleerd zou moeten worden om die innerlijke lichtinval te versterken en te ontsluiten, wat helaas nog veel te weinig gebeurt. In al zijn facetten kan de beeldende kunst daarom de ideale generator zijn om hiervoor de nodige energie op te wekken. Esthetiek onttrekt zich niet aan wie haar niet kan waarnemen, alleen aan wie haar niet wil zien.
Noten
7. Wat de puur technische uitwerking hiervan betreft - die ik in een later artikel in detail zou willen bespreken -, kunnen we kort samengevat zeggen dat de blinde fotograaf zijn toestel vaak als een soort pistool hanteert. Door zich in de ruimte te oriënteren - op de tast of dankzij de aanwijzingen van een ziende - bepaalt hij de positie van zijn toestel ten opzichte van zijn subject; de camera hoeft dan uiteraard ook niet op ooghoogte te worden gehouden. In andere gevallen ensceneert de kunstenaar een bepaald tafereel, dat dan eventueel door een ziende medewerker wordt vastgelegd.
In Japan zou men thans bezig zijn met de ontwikkeling van een procédé, waardoor een foto onmidddellijk in reliëf zou kunnen worden afgedrukt. Tot nog toe is dat immers een erg omslachtig en prijzig gebeuren. [ terugkeren ]
Dit is deel 6 van het essay De innerlijke lichtinval dat verder uit de volgende delen en paragrafen bestaat:
[ Kort vooraf ]
[ 1 ]
[ 2 ]
[ 3 ]
[ 4 ]
[ 5 ]
[ geraadpleegde literatuur ]
[ reacties ]
Het geheel ligt in het kunstplantsoen dat zich in het Filosofiepark bevindt.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS