FILOGOPOLIS

de stad waar het woord de weg wijst

De innerlijke lichtinval

5. Opnieuw zijn we bij datzelfde machtige instrument aangeland, waarvan het belang voor de overdracht van kennis, zoals ik reeds voordien heb aangegeven, drastisch wordt onderschat: de taal. En daarmee bij de kernvraag waarop ik door middel van dit artikel een antwoord wenste te formuleren, met name: in hoeverre mag de beleving van beeldende kunst, en in ruimere zin, de volledige gedachtewereld van een blinde persoon onvisueel worden genoemd? Sedert Kant weten we dat onze zintuigen als een soort van filter fungeren die bepaalt welke informatie we ontvangen en op welke manier die aan ons kenbaar wordt gemaakt. De pure zintuiglijke gewaarwordingen, die eigenlijk een "stomme, lege kennis" zijn, worden dan door de rede bewerkt, geduid, gecatalogiseerd; om dit verwerkingsproces te expliciteren ontwierp de grondlegger van de Duitse Verlichting zijn beroemde twaalf mentale categorieën. Dat deel van de werkelijkheid dat zich buiten het bereik van het gezicht, het gehoor, de reuk, de smaak en de tastzin bevindt - das Ding an sich in de Kantiaanse terminologie -, blijft dus ondetecteerbaar voor onze directe perceptie.
Nu is het wel heel plausibel dat dit niet rechtstreeks waar te nemen deel van de werkelijkheid aanzienlijk veel informatie omvat en dat bijgevolg ons wereldbeeld sterk moet afwijken van de echte wereld, namelijk die die zowel de voor de mens waarneembare als niet waarneembare verschijnselen in zich verenigt (let wel: niet waarneembaar mag hier in een eenentwintigste-eeuwse context niet als metafysisch worden geïnterpreteerd, het betreft hier uitsluitend fysische fenomenen). Beschikten we naast onze huidige vijf nog over een zesde zintuig, dan zou dat hoogst waarschijnlijk een totaal ander plaatje van die werkelijkheid opleveren. Daaruit meende Magee te mogen concluderen dat een epistemologische studie over de discrepanties tussen de leefwereld van de zienden en die van de blindgeborenen ons betere inzichten zou verschaffen in die Welt-an-sich, immers, de positie van de blinde ten opzichte van de ziende zou in sterke mate corresponderen met de positie van de gehele mensheid ten aanzien van die potentiële mens die met een extra zesde zintuig zou zijn uitgerust. Omdat de laatste vergelijking nogal speculatief van aard is - het is absoluut niet zeker dat de kennis voortvloeiende uit dat zesde zintuig op één lijn zou kunnen worden gesteld met de visuele perceptuele kennis die de blinde mist - en het gehele gedachte-experiment wederom gelegitimeerd wordt door dat discours van het rigoureuze onderscheid - "En aangezien om praktische redenen geen van ons een andere mogelijkheid bezit dan zich een beeld van de gehele werkelijkheid te vormen met behulp van de beschikbare binnenkomende gegevens, en het wereldbeeld dat de meeste mensen delen nu eenmaal zo is als het eruitziet, kun je het verschil tussen zienden en blinden op menselijke schaal (sic) alleen maar als zeer groot betitelen." (Magee, p. 55) -, vrees ik dat de resultaten hiervan in zoverre zij meer licht moeten werpen op datgene wat ons van de werkelijkheid ontgaat erg teleurstellend zullen zijn. Nee, een evenwichtige discussie tussen blinde en ziende mensen over hun respectieve ervaringswerelden is zonder meer uitermate fascinerend, maar in praktijk komen daarbij - zo heb ik toch tenminste meermaals ondervonden - veeleer opvallende gelijkenissen dan dramatische verschillen aan de oppervlakte drijven; daardoor zal zo'n gesprek veel kunnen bijdragen als het erom gaat het karakter van onze menselijke kennis en ideeën (niet alleen de componenten, maar ook de transmissiemogelijkheden, de verwerving en verwerking ervan) te analyseren, maar kunnen we er niet van verlangen de sleutel te vormen tot het enigma van het ding an sich. Daarvoor is die code veel te gecompliceerd en de achterliggende informatiestromen te omvangrijk. Met dit besef schijnt Magee overigens ook wel te kampen als hij schrijft dat hetgeen een blinde moet missen verwaarloosbaar gering moet worden genoemd, als we het contrasteren met alles wat aan de directe perceptie van de hele mensheid voorbijgaat.
Naar ik hoop heeft de vierde paragraaf aangetoond dat het hoofd van iemand die plots blind is geworden niets gemeen heeft met een kamer waar de lamp wordt uitgeknipt. Het is een kamer waarvan de deur weliswaar is vergrendeld en daarmee de meest evidente toegang tot de omgeving, maar waarvan de ramen nog steeds het daglicht binnenlaten en altijd geopend kunnen worden om woorden, geuren, smaken, aanrakingen te verwelkomen of om op de vensterbank en naar buiten te klauteren. Telkens als iemand mij beschrijft wat hij of zij ziet - op een foto, bij een film, gewoon op straat -, pas ik deze nieuwe informatie in het beeld dat eerder in mijn geest op basis van mijn eigen niet-visuele gewaarwordingen was ontstaan. Beeld omzetten in taal, daar draait het om. Milligan beweert met grote overtuigingskracht dat iedere vorm van kennis in essentie propositioneel is, ofte wel, dat ze een uitspraak doet en dus middels talige elementen is uit te drukken. In zijn optiek is er maar weinig aan te vangen met de zuivere proefondervindelijke kennis zolang zij nog met geen enkele propositie in verband is gebracht. Mensen die vanaf hun geboorte blind zijn zouden dan in theorie visuele begrippen - zoals licht, duisternis, rood etc. - moeten kunnen plaatsen en in staat zijn ze grotendeels te begrijpen. Ofschoon ze nooit direct hebben ervaren wat bijvoorbeeld bedoeld wordt met perspectief, hebben ze wel uit hun omgang met zienden geleerd in welke contexten dat concept gebruikt wordt en kunnen ze dus in wezen evenveel propositionele kennis over dat onderwerp vergaren als die ziende personen. De ziende heeft dan nog louter het voordeel zijn begrip van visuele concepten te kunnen baseren op en uitbreiden met de gewaarwordingen waarvoor hij dankzij zijn goed functionerende ogen wel ontvankelijk is. Dit model is vast en zeker verdedigbaar en zoals ik hierna zal proberen te doen tevens met een aantal heel steekhoudende argumenten te onderbouwen, maar desondanks aanvaard ik het slechts onder voorbehoud, waarover straks meer.
Ten eerste is het belangrijk in te zien dat ieders wereldbeeld, ongeacht of die persoon nu een fysieke beperking heeft of niet, uit gigantische hoeveelheden uitspraken is opgebouwd die in het beste geval nog uit de eerste hand werden vernomen - uit de mond van mensen die het subject van onze propositie wel zelf hebben waargenomen -, maar die veel vaker volledig vervreemd zijn geraakt van de oorspronkelijke rechtstreekse perceptie en waarbij deze laatste niet eens meer valt te reconstrueren. Zo had ik jaren tevoren in de aardrijkskundeles wel geleerd over het wonderlijke lichtspel dat met het Noorderlicht wordt aangeduid, maar totdat ik iemand ontmoette die het in Noord-Zweden inderdaad had gezien en er mij ademloos over vertelde was mijn kennis hierover bezwaarlijk uit de eerste hand te noemen. De historicus die het tijdsvak bestudeert waarvan geen getuigen meer in leven zijn, wordt dagelijks met die ingewikkelde problematiek van het bronnenonderzoek geconfronteerd. Iedereen weet dat de Aarde rond de zon draait, maar wie heeft dat behalve sterrenkundigen, astrofysici of andere wetenschappers daadwerkelijk aan den lijve ondervonden? Wie beweert dit te kunnen gewaarworden door de wisseling der seizoenen, begaat de klassieke denkfout waarvoor David Hume herhaaldelijk heeft gewaarschuwd, en wel de idee dat de relatie tussen oorzaak en gevolg - het zogeheten causaliteitsprincipe - direct waarneembaar zou zijn. Wat die proposities tot leven roept is niet de perceptie, maar de grote verbeelding van de mens. De Nederlandse schrijver Boudewijn Büch die één van de grootste Goethe-bibliotheken van Europa had aangelegd en diens oeuvre van a tot z had doorwrocht - en hierover ook een heel mooie reeks tv-programma's heeft opgenomen -, zal ongetwijfeld het gevoel gehad hebben dat hij de Duitse romanticus persoonlijk kende. Hoe dan ook, dit impliceert in de onderhavige context dat degene die wat de blinde afweet van visuele begrippen afschildert als wazige en tweedehandse ideeën, vergeet dat zijn eigen wereldbeeld ook in aanzienlijke mate op soortgelijke denkbeelden berust en daarmee het menselijke inlevingsvermogen schromelijk tekortdoet.
In de tweede plaats mogen we niet uit het oog verliezen dat de hersenen van blindgeboren mensen wel degelijk een visuele cortex bevatten, het cognitieve centrum waar normaal gesproken uit de ruwe materie van de binnengekomen visuele informatie de (half)afgewerkte producten worden vervaardigd, en dat uit scans is gebleken dat die paradoxaal genoeg ook bij hen activiteit ontplooit. Hoewel we ons hiermee op losser zand begeven, zouden we daaruit kunnen afleiden dat zich bij deze mensen een mentale visualisering voltrekt die, ofschoon sterk afgezwakt en niet gevoed door directe prikkels via de ogen, toch tot op zekere hoogte vergelijkbaar is met die van zienden, maar dat ze er bijna nooit in slagen hierover te communiceren daar hun het noodzakelijke referentiekader ontbreekt: een ziende kan toetsen of zijn beeld van een boom overeenstemt met dat van anderen - als zij het ook als dusdanig benoemen - terwijl dit voor een blinde persoon, aangenomen dat onze hypothese klopt, in ieder geval nooit zal zijn weggelegd. Ook al klinkt het voorgaande wellicht nogal ongeloofwaardig, toch wijzen de laatste bevindingen werkelijk in die richting. The New Scientist van 31 januari (2005) bericht over een neurologisch experiment met wel een markante blindgeboren man, de Turk Esref Armagan, die in weerwil van het feit dat hij nooit heeft kunnen zien realistische schilderijen maakt die voor zienden heel herkenbaar zijn en stroken met de wetten van de perspectief. Bergen, huizen, vlinders, gezichten, hij schildert ze in een heldere stijl, bewust van kleur, licht- en schaduweffecten, hoewel hij dit allemaal nooit direct heeft waargenomen. Dr. John Kennedy, een psycholoog van de Universiteit van Toronto die meewerkte aan het onderzoek waarbij Armagans hersenen werden gescand terwijl hij verschillende tekenopdrachten uitvoerde, noemt de resultaten ervan adembenemend. In zijn lange carrière waarin hij zich heeft geconcentreerd op de relatie van blinden tot beeldende kunst, deed hij reeds enkele opzienbarende ontdekkingen, onder meer dat blindgeborenen kunnen leren tekenen, zelfs in drie dimensies. Toch slaat het geval-Armagan echt alles: "Even more intriguing was the way in which drawing activated Armagan's visual cortex. It is now well established that when sighted people try to imagine things - faces, scenes, colours, items they've just looked at - they engage the same parts of their visual cortex that they use to see, only to a much lesser degree. Creating these mental images is a lot like seeing, only less powerful. When Armagan imagined items he had touched, parts of his visual cortex, too, were mildly activated. But when he drew, his visual cortex lit up as though he was seeing."
Pacual-Leone, neuroloog aan Harvard en degene die de schilder heeft uitgenodigd naar Boston te komen, besluit met de analyse: "In fact, a naive viewer of his scan might assume Armagan really could see. (.) We normally think of seeing as the taking in of objective reality through our eyes. But is it? How much of what we think of as seeing really comes from without, and how much from within? The visual cortex may have a much more important role than we realise in creating expectations for what we are about to see. Seeing is only possible when you know what you're going to see. Perhaps in Armagan the expectation part is operational, but there is simply no data coming in visually." Armagan die volhoudt alles te hebben geleerd dankzij opmerkingen van ziende vrienden en familieleden, heeft de hypothese dat onze mentale beelden uit veel meer dan louter visuele gegevens geconstrueerd zijn en ook door proposities kunnen worden bijgestuurd, alvast een flinke duw in de rug gegeven. Het is nog maar de vraag waar deze verbijsterende exploratietocht van het menselijke brein ons nog heen zal voeren.
Een derde argument voor de stelling dat alle kennis conceptueel van aard is en dat visuele begrippen daarom voor blinden geen onneembare vesting zijn, ligt in onze op het gezicht geënte samenleving dermate voor de hand dat het gemakkelijk over het hoofd is te zien - ja, deze uitdrukking is er alweer een voorbeeld van: de gewone omgangstaal die bulkt van door het zicht geïnspireerde begrippen, constructies, gezegdes, beeldspraak, zodat een kind dat vanaf de geboorte blind is heel snel vertrouwd raakt met de betekenis en het gebruik ervan. Zienden die niet gewend zijn met blinde mensen om te gaan en daarom vermoeden dat ze hen helemaal anders moeten bejegenen dan gebruikelijk, hebben de neiging visuele woordenschat te vermijden en vragen te stellen als: "Heb je gisteren ook naar die film geluisterd?" Het is absurd in wat voor bochten ze zich dan soms proberen te wringen, totdat je hen uit hun lijden verlost en zegt dat jij ook voortdurend "ziet", "kijkt", "op het oog hebt", "stekeblind bent voor" enz. En nu hebben we het alleen nog maar over veel terugkerende woorden en wendingen gehad; als je in een omgeving met bijna uitsluitend ziende mensen vertoeft, merk je gauw hoeveel er over uiterlijkheden - hier niet in negatieve zin bedoeld - wordt gepraat, waarmee we nog een onuitputtelijke bron hebben aangeboord voor conceptuele kennis over visuele fenomenen. Een blind kind wordt ermee overspoeld en leert ermee om te gaan zoals zijn ziende leeftijdsgenootje dat ook moet doen. Stuk voor stuk dienen al deze onbetwistbare feiten zich aan als aanbevelingsbrieven voor Milligans vurige pleidooi ten gunste van propositionele kennis en zijn vertrouwen dat zij blindgeboren mensen kan introduceren in een ziende ervaringswereld.

Foto: In een decor van oude bomen met een groen bladerdak staat een mensenhoog ijzeren beeldhouwwerk. Het lijkt een poort van enkele opeengestapelde cirkels en ovalen (die aan de voor- en achterzijde dus plat van vorm zijn, maar wel een behoorlijke dikte hebben). Welke (menselijke) vormen zie je erin?

Dit is deel 5 van het essay De innerlijke lichtinval dat verder uit de volgende delen en paragrafen bestaat:
[ Kort vooraf ]
[ 1 ] [ 2 ] [ 3 ] [ 4 ] [ 6 ]
[ geraadpleegde literatuur ]
[ reacties ]
Het geheel ligt in het kunstplantsoen dat zich in het Filosofiepark bevindt.

Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.

Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.

Vraag de weg in het Tourist Office.