4. Maar hoezo eigenlijk? Zou ik willen betwisten dat iemand die het gezichtsvermogen ontbeert niet te lijden heeft van een groot gemis? Nee, absoluut niet: er zijn een heleboel praktische zaken die dankzij goed functionerende ogen een fluitje van een cent worden maar die voor een blinde persoon nimmer te realiseren zijn. Waartegen ik wel protest wil aantekenen, is het al te vereenvoudigde zwart-witverhaal dat erover wordt opgehangen: het discours dat zich focust op een a-priorisch verschil tussen ziende en blinde mensen, een discours waarmee Magee zich voornamelijk in zijn eerste brieven heeft ingelaten - een knap staaltje daarvan is uiteraard het citaat uit de vorige paragraaf; Milligan bezwijkt daarentegen af en toe voor de omgekeerde tendens, namelijk door elke discrepantie al te zeer in termen van geïnstitutionaliseerde onverdraagzaamheid te willen uitleggen, hetgeen al evenmin een constructief debat in het vooruitzicht stelt. Omdat ik als een soort van bemiddelaar tussen die beide werelden kan ageren, heb ik deze hele discussie eigenlijk altijd veeleer opgevat als een zoektocht naar parallellen en raakpunten; de redenen hiervoor zal ik in de volgende alinea's trachten uiteen te zetten en met concrete ervaringen te verduidelijken.
Het aanwijsbare fysieke verschil dat een ziende van een blinde persoon onderscheidt, dat er kort geschetst op neerkomt dat er bij de eerstgenoemde door de lichtinval via de lens een beeld wordt geprojecteerd op het netvlies dat vervolgens de informatie doorseint aan de hersenen waar die verwerkt wordt en dat dit proces bij de tweede niet kan plaatsvinden, is evident en zou niet vermeld behoeven te worden, ware het niet dat daaruit een eerste hardnekkig misverstand is voortgekomen. Het leven van een blinde wordt immers tot in den treure vergeleken met een leven in duisternis, alsof zijn geest louter een zwarte leegte zou herbergen. Welnu, dat zijn fabels die ontstaan wanneer de beeldspraak van de zienden op de situatie van een blinde wordt toegepast, waarbij men eigenlijk dezelfde bok schiet als wanneer we een vreemde cultuur vanuit het eigen waardesysteem beoordelen: de anomalieën stapelen zich op en gaan een eigen leven leiden. Mensen die vanaf hun geboorte volledig blind zijn, kunnen geenszins in het donker leven, aangezien ze nooit rechtstreeks hebben ervaren wat die toestand - de afwezigheid van licht - precies inhoudt; kleuren blijven voor velen onder hen moeilijk te doorgronden abstracties en ze zullen zich dus ook niets concreets bij zwart kunnen voorstellen. Hun innerlijke leefwereld kent de rijkdom van stemmen, woorden, geluiden, geuren, aanrakingen, smaken maar het zou onzinnig zijn die in een visuele metafoor te willen kooien. Een tweede groep van mensen die door de medische wetenschap als blind worden beschouwd, beschikt wel nog over enige mate van lichtperceptie, zodat zij al evenmin in een constant verduisterde ruimte rondwaren. In laatste instantie is er nog de groep waartoe ikzelf behoor, namelijk zij die op latere leeftijd blind zijn geworden en nog herinneringen bewaren aan de tijd toen ze wel nog konden zien. Ik geloof dat ik hiervoor het best bij mezelf te rade kan gaan.
Toen ik op vijfjarige leeftijd blind werd, gebeurde er iets vreemds, of toch
niet? Soms weet ik nog steeds niet wat ik ervan moet denken. Feit is dat ik innerlijk bleef "zien", waarmee ik bedoel dat de beelden zich in mijn hoofd spontaan bleven vormen. Overal waar ik kwam of om het even wie ik ontmoette, er ontstond een scherp beeld voor mijn ogen, dat waarschijnlijk samengesteld werd op basis van alle andere zintuiglijke indrukken
en alle visuele herinneringen aan hetgeen ik had gezien als kleuter. Het is bijzonder lastig zich voor te stellen wat een kind allemaal opslaat aan beeldmateriaal in de
eerste vijf jaar van zijn leven, want ik kan wel in de verleden tijd schrijven, maar het proces van "zien" is nooit wezenlijk veranderd. Nog steeds merk ik elke dag dat er heel weinig dingen zijn waarvan ik me niet kan indenken hoe die eruitzien, zoveel dieren, gebouwen en voorwerpen (of een plaatje daarvan) had ik destijds al gezien. Maar ook van een nieuw voorwerp, als een mobiel, is een mentaal beeld ontstaan. En dan zijn er natuurlijk ook nog de geestelijke foto's van mijn ouders, familie, vrienden enz. Het kan merkwaardig klinken, maar al die beelden doen zich nog steeds in alle scherpte en uniciteit aan me voor: elke kamer oogt anders, elk gezicht (zowel van wie ik mij visueel herinner als van wie ik op latere leeftijd heb ontmoet) behouden hun individualiteit en typische trekken, alle landen die ik heb bereisd kregen een laatje in het filmarchief. Tot dusver is het wel een beetje vergelijkbaar met wat je ondergaat als je een boek leest: aan de hand van de meegedeelde informatie of soms zomaar uit het niets, krijgen de personages gestalte voor je zogenaamde geestesoog.
Het moet waarschijnlijk ook verband houden met mijn geheugen dat je 'fotografisch' kunt noemen maar dit concept dienen we wel te onderscheiden van de lading die deze vlag over het algemeen dekt. Als ik mij in een stad moet oriënteren, zie ik als het ware een luchtfoto met daarop de straten en de pleinen die ik er ken; als ik lees, schrijf, praat of hoor praten, kortom zodra ik met taal in aanraking kom, wordt de tekst onafgebroken in mijn gedachten tot een beeld getransformeerd; wanneer ik schaak speel - ik heb me gedurende verschillende jaren erg fanatiek in dit spel verdiept -, hoef ik de stand der stukken niet op de tast te verkennen, omdat ik het bord mentaal heb leren visualiseren, wat erg bevordelijk is om urenlang een intense concentratie vast te houden; en zo zijn er nog tal van voorbeelden aan te halen.
Toen ik een paar jaar geleden in Mijn weg leidt naar Tibet de volgende passage las, spoelde er dan ook een golf van herkenning door me heen. Het is het reisverslag van de Duitse Sabriye Tenberken, die op haar twaalfde volledig blind werd, over een tocht door Tibet die ze op eigen houtje had ondernomen. Deze reis zou tevens de aanzet geven tot de oprichting van haar school voor blinde kinderen in Lhasa, de hoofdstad van Tibet.
"Ik heb vaak het gevoel te kunnen zien, zodra kleuren bij het beschrijven van een landschap een belangrijke rol vervullen. En precies zo verging het mij tijdens de reis met Thierry naar Namtso. De Namtso is een ongeveer 80 kilometer lang en 40 kilometer breed zoutmeer, dat op ruim 4700 meter hoogte ligt. (.)
Wij hadden inmiddels al een hele dag over zanderige, heuvelige pisten bergop en bergaf gereden, toen onze gammele Bejing-jeep om een uitstekende rotspunt heen draaide en Thierry opeens verheugd uitriep: 'Daar is hij! Snel, snel mijn fototoestel!'
En terwijl Thierry, begeleid door het 'klik-klik' van zijn camera, het landschap prees, keek ik uit het raam en genoot van het beeld, dat zich langzaam vastzette op mijn netvlies. Voor ons strekte zich een reusachtige, turquoise watervlakte uit. Aan de oever, die helemaal onder het zout was bedekt en in de avondzon zo fel glinsterde als spierwitte sneeuw, straalde het water licht turkoois. Naar het midden toe kleurde de Namtso diep donkergroen en donkerblauw
en verder in de richting van de horizon glansde het water lichtblauw om in de verte over te gaan in het stralende blauw van de avondlucht. De bergen en zandduinen rondom de Namtso werden door de zon beschenen en schitterden goudgeel, bruin en vuurrood. En omdat er in de afgelopen dagen een of andere wolkbreuk was geweest, waren de toppen bedekt met poedersneeuw; op sommige berghellingen kon ik malse, groene weiden onderscheiden, waarop de nomaden hun geiten en jaks lieten grazen."
Aristoteles worstelde zijn hele leven met de Ideeënleer van Plato, waarvan hij hoofdzakelijk de duale opbouw verwierp. Hij wilde deze basale tweeledigheid vervangen door de wereld te definiëren als zijnde opgebouwd uit substantie en predicaten, waarbij de eerste verzameling die entiteiten bevatte die op zichzelf deel hebben aan het zijn - bv. een bal - en de tweede de eigenschappen van die entiteiten verenigde - bv. rond. Het is immers onmogelijk 'rond' als een losstaand fenomeen te beschouwen, het moet aan substantie worden gehecht wil het zich concretiseren. Hetzelfde geldt voor kleuren. Ik ben dan ook meermaals de vraag gesteld of zulke abstracties niet als eerste vervagen, zodra je afgesneden wordt van de rechtstreekse visuele waarneming ervan. Voor mij heeft daartoe nooit enig gevaar bestaan, hoewel ik aanvankelijk niet precies kon duiden wat daarvan de oorzaak kon zijn.
Het begon allemaal toen ik ongeveer acht was, en tijdens de les ter sprake kwam dat het blad waarop ik schreef geheel wit was. Ik weet nog heel goed hoe verbaasd ik was, want elk lettertje had toch een specifieke kleur? Hoezo allemaal wit? Pas op dat ogenblik begreep ik dat hier iets merkwaardigs aan de hand was. Vanaf mijn prilste lees- en schrijfervaring had ik immers aan elke letter van het alfabet een andere kleurtint toegewezen, die voor mij nooit zijn frisheid of concreetheid verloor. Waarin vond dit natuurlijke, onbewuste taalverven zijn oorsprong? Het wetenschappelijke antwoord moest ik toen nog schuldig blijven, maar lange tijd heb ik gedacht dat het mijn defensie tegen kleuramnesie was. Was het geen methode om alle kleuren die ik tot mijn vijfde jaar had waargenomen, te bewaren en te behoeden tegen de tijd?
Ofschoon mijn kleurassociaties met taal vast en zeker de basis vormen van mijn totale complex, toch duikt dezelfde drang tot kleuretikettering op in alle andere gebieden van mijn
leven. Elke persoon heeft voor mij een bepaalde kleur of een combinatie daarvan, en elk muziekstuk draagt een andere tint. Elk land en iedere taal... Cijfers, dagen maanden,
uren... Je kunt het heus zo gek niet bedenken, of het heeft een speciaal vakje in mijn kleurenkast. Toen ik Pools en Spaans studeerde, en bijgevolg een aantal nieuwe lettertekens tegenkwam, greep trouwens opnieuw hetzelfde spontane procédé plaats.
Enkele maanden terug stuitte ik per toeval op een recent wetenschappelijk artikel van de neurologen V.S. Ramachandran en E.M. Hubbard, waardoor het mysterie reeds voor een groot deel werd opgelost. *4 Het kind heeft de naam synesthesie meegekregen (van het Griekse "syn", samen, en "aesthesis", waarneming), wat dus staat voor de samensmelting van verschillende zintuiglijke gewaarwordingen. Het kan zich in een heleboel verschillende types manifesteren: zo zijn er mensen die bij de smaak van chocolade het gevoel hebben als raakten ze een koude cilinder aan; een andere proefpersoon vertelt hoe hij bij het handmatig kneden van hamburgerkoekjes - jazeker, het betreft een enquête uit de VS - een bittere smaak proeft; toch schijnt de kleurassociatieve synesthesie, in allerlei gradaties van intensiteit weliswaar, het vaakst voor te komen.
De eerste moderne wetenschapper die er in een studie uit 1880 gewag van maakte, was Francis Galton, een neef van Charles Darwin, en sedertdien is het fenomeen onderwerp geweest van talrijke onderzoeken en experimenten. *5 Dr. Richard Cytowic die er eveneens verscheidene boeken aan heeft gewijd, schatte in 1996 het aantal synestheten nog op 1 op 25.000 individuen, en erkende hiermee dat deze versmelting van de zintuigen veel vaker optreedt dan aanvankelijk werd aangenomen.
Maar waar moeten de oorzaken van synesthesie worden gezocht? Geruime tijd hebben wetenschappers gemeend dat synesthesie te wijten was aan het gebruik van LSD of andere hallucinogene middelen, die inderdaad ook soortgelijke effecten kunnen meebrengen. Daar men echter na verder onderzoek moest concluderen dat de overgrote meerderheid van de synestheten normaal functionerende mensen waren en niets met drugs uit te staan hadden, werd geopperd dat de hypothese van een afwijkende neuronenstructuur wellicht meer kans op succes bood. In 'Hearing colors, tasting shapes' formuleren Ramchandran en Hubbard de volgende 'cross activitation'-theorie: het gemuteerde gen dat synesthesie doorgeeft - het bleek immers erfelijk te zijn - zou ervoor zorgen dat bepaalde chemische verbindingen tussen verschillende gebieden van de hersenen anders dan gebruikelijk verlopen en deze gebieden tegelijk gaan activeren; hierdoor zouden verschillende soorten informatie die normaal gesproken in afzonderlijke hersenregionen worden verwerkt, niet langer van elkaar gescheiden worden.
Iedereen schijnt overigens als kind vatbaar te zijn voor synesthetische gewaarwordingen, aldus Cytowic, maar meestal maken de hormonale veranderingen hier tijdens de puberteit een eind aan. Wie er na zijn tienerjaren nog steeds mee rond zeult - of van mag genieten -, raakt er voor de rest van zijn dagen niet meer vanaf. Maar kan dat een probleem zijn? Het dunkt me van niet! Want ik begreep dat ik mij in 'de club der synestheten' in illuster gezelschap bevond: zo zouden Liszt en Rachmaninov het nooit eens zijn geworden over de kleuren van de noten; voorts heeft niemand minder dan Vladimir Nabokov er uitgebreid over geschreven *6; en hoewel het niet zeker is of het hier een puur artistiek procédé dan wel echt zintuigvermenging betrof, wordt het onderstaande prachtige sonnet van Rimbaud ook vaak als voorbeeld geciteerd:
A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu : voyelles,
Je dirai quelque jour vos naissances latentes:
A, noir corset velu des mouches éclatantes
Qui bombinent autour des puanteurs cruelles,
Golfes d'ombre; E, candeurs des vapeurs et des tentes,
Lances des glaciers fiers, rois blancs, frissons d'ombelles;
I, pourpres, sang craché, rire des lèvres belles
Dans la colère ou les ivresses pénitentes;
U, cycles, vibrement divins des mers virides,
Paix des pâtis semés d'animaux, paix des rides
Que l'alchimie imprime aux grands fronts studieux;
O, suprême Clairon plein des strideurs étranges,
Silences traversés des Mondes et des Anges:
- O l'Oméga, rayon violet de Ses Yeux!
Synesthesie, zo stelden Ramachandran en Hubbard vast, komt tot zevenmaal vaker voor bij creatieve geesten. Dat kan geen toeval zijn. Het associëren van zintuiglijke gewaarwordingen, zoals kleuren of smaken, met abstracte begrippen of ongrijpbare sensaties als getallen, dagen, uren, muziek, betekent niet alleen een grote praktische hulp voor het geheugen, het staat tevens in een nauwe relatie tot creativiteit, wat toch in se het met elkaar verbinden is van schijnbaar volstrekt losstaande entiteiten. Vanuit die invalshoek bekeken zit de synesthesie het metaforisch taalgebruik wel erg dicht op de huid, en daarvan zijn zelfs heel wat voorbeelden de courante omgangstaal binnengeslopen; denken we maar aan een 'warme' stem, een 'kille' blik, een 'scherpe' geur. Het is daarom geenszins denkbeeldig dat het synesthesie-onderzoek binnen afzienbare tijd voor het blootleggen van de fysiologische mechanismen die het menselijke taalvermogen sturen, een cruciale stap in de goede richting zal blijken te zijn.
Noten
4. Het betreft hier 'Hearing colors, tasting shapes' gepubliceerd op de website van The Scientific American. [ terugkeren ]
5. In hetzelfde artikel beschrijven Ramachandran en Hubbard de testjes die ze hun proefpersonen hebben laten uitoveren, opdat ze konden bepalen of synesthesie niet herleid diende te worden tot een uitvloeisel van een al te levendige fantasie. Onder meer het volgende proefje: "To determine whether an effect is truly perceptual, psychologists often use a simple test called pop-out or segregation. If you look at a set of tilted lines scattered amid a forest of vertical lines, the tilted lines stand out. Indeed, you can instantly segregate them from the background and group them mentally to form, for example, a separate triangular shape. Similarly, if most of a background's elements were green dots and you were told to look for
red targets, the reds would pop out. On the other hand, a set of black 2's scattered among 5's of the same color almost blend in.
It is hard to discern the 2's without engaging in an item-by-item inspection of numbers, even though any individual number is just as clearly different from its neighbors as a tilted line is from a straight line. We thus may conclude that only certain primitive, or elementary, features, such as color and line orientation, can provide a basis for grouping. More complex perceptual tokens, such as numbers, cannot do so.
We wondered what would happen if we showed the mixed numbers to synesthetes who experience, for instance, red when they see a 5 and green with a 2. We arranged
the 2's so that they formed a triangle. If synesthesia were a genuine sensory effect, our subjects should easily see the triangle because for them, the
numbers would look colored.
When we conducted pop-out tests with volunteers, the answer was crystal clear. Unlike normal subjects, synesthetes correctly reported the shape formed by groups of numbers up to 90 percent of the time (exactly as nonsynesthetes do when the numbers actually have different colors). This result proves that the induced colors are genuinely sensory and that synesthetes are not just making things up. It is impossible for them to fake their success." [ terugkeren ]
6. "I witness with pleasure the supreme achievement of memory, which is the masterly use it makes of innate harmonies when gathering to its fold the suspended
and wandering tonalities of the past. I like to imagine, in consummation and resolution of those jangling chords, something as enduring, in retrospect,
as the long table that on summer birthdays and namedays used to be laid for afternoon chocolate out of doors, in an alley of birches, limes and maples
at its debouchment on the smooth sanded space of the garden proper that separated the park and the house. I see the tablecloth and the faces of seated
people sharing in the animation of light and shade beneath a moving, a fabulous foliage, exaggerated, no doubt, by the same faculty of impassioned commemoration,
of ceaseless return, that makes me always approach that banquet table from the outside, from the depth of the park -as if the mind, in order to go back
thither, had to do so with the silent steps of a prodigal, faint with excitement.
Through a tremulous prism, I distinguish the features of relatives and familiars, mute lips serenely moving in forgotten speech. I see the steam of the
chocolate and the plates of blueberry tarts. I note the small helicopter of a revolving samara that gently descends upon the tablecloth, and, lying across
the table, an adolescent girl's bare arm indolently extended as far as it will go, with its turquoise-veined underside turned up to the flaky sunlight,
the palm open in lazy expectancy of something -perhaps the nutcracker. In the place where my current tutor sits, there is a changeful image, a succession
of fade-ins and fade-outs; the pulsation of my thought mingles with that of the leaf shadows and turns Ordo into Max and Max into Lenski and Lenski into
the schoolmaster, and the whole array of trembling, transformations is repeated.
And then, suddenly, just when the colors and outlines settle at last to their various duties -smiling, frivolous duties -some knob is touched and a torrent
of sounds comes to life: voices speaking all together, a walnut cracked, the click of a nutcracker carelessly passed, thirty human hearts drowning mine
with their regular beats; the sough and sigh of a thousand trees, the local concord of loud summer birds, and, beyond the river, behind the rhythmic trees,
the confused and enthusiastic hullabaloo of bathing young villagers, like a background of wild applause."
Uit Speak, Memory: An Autobiography Revisited (1966)
[ terugkeren ]
Dit is deel 4 van het essay De innerlijke lichtinval dat verder uit de volgende delen en paragrafen bestaat:
[ Kort vooraf ]
[ 1 ]
[ 2 ]
[ 3 ]
[ 5 ]
[ 6 ]
[ geraadpleegde literatuur ]
[ reacties ]
Het geheel ligt in het kunstplantsoen dat zich in het Filosofiepark bevindt.
Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.
Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.
Vraag de weg in het Tourist Office.
Copyright © FILOGOPOLIS