FILOGOPOLIS

de stad waar het woord de weg wijst

De innerlijke lichtinval

3. "Voor het gewone leven is de visuele ervaring in zekere zin een sine qua non, en de dagelijkse omgang met mensen hangt er van minuut tot minuut van af dat deze ervaring gedeeld wordt, en als dit niet het geval zou zijn, zou menselijke interactie niet kunnen plaatsvinden." concludeert Magee met veel stelligheid (op. cit., p. 54). In de voorgaande paragraaf hebben we enkele van de meest significante oorzaken genoemd waardoor het zicht in de huidige samenleving de hoogste positie in de zintuiglijke piramide krijgt toebedeeld. Het ogenblik is aangebroken om hier enige kanttekeningen bij te plaatsen, en laten we maar meteen beginnen met de bovenstaande stoutmoedige uitspraak iets te verzachten.
Ongetwijfeld heeft Magee het bij het rechte eind als hij beweert dat het gedrag van mensen ten opzichte van anderen ingesteld is op visuele signalen - de communicatie verloopt naar schatting voor 80 procent via non-verbale kanalen waarvan de zichtbare lichaamstaal toch één van de meest voor de hand liggende is -, maar om daaruit af te leiden dat de menselijke interactie zonder die gedeelde visuele ervaringen ondenkbaar zou zijn, is weer een brug te ver. Milligan herhaalt verschillende keren dat sommige zienden het belang van het zien schromelijk overdrijven. Zeker is dat ze heel vaak de hoeveelheid informatie onderschatten die een mens via zijn overige zintuigen krijgt aangereikt. Op p. 76 heeft Milligan het in dat verband over heel veel dubbele informatie die de natuur aan de mens beschikbaar stelt. In de allereerste plaats is er de taal, die zowel in gesproken als in geschreven vorm, massa's gegevens van het ene individu naar het andere transfereert en dus ook een onuitwisbaar stempel op de menselijke interactie drukt; voor een persoon die beide ogen moet missen, neemt de taal dan ook veel informatieverstrekkende taken van het afwezige gezichtsvermogen over. Als blinde persoon zul je bijvoorbeeld veel vaker iemand vragen iets voor je te beschrijven, of er consequenter op letten welke visuele details een ziende persoon met zijn uitspraken prijsgeeft (aangenomen natuurlijk dat je er wat mee kan en dergelijke uitingen voor jou geen pure abstracties blijven, maar daarover straks meer). Zo ben ik bijzonder op architectuur gesteld en zal ik het altijd appreciëren wanneer iemand mij vertelt hoe bepaalde gebouwen eruitzien. Bij het gesproken woord is echter niet uitsluitend het zuiver talige element een reservoir waaruit veel data kunnen worden geput, ook de menselijke stem op zich is er zo één: geslacht, leeftijd, emoties, intenties van de spreker, ze zijn ervan af te lezen als van een gelaat.
Een aantal jaar geleden logeerde ik met een blinde vriend in een Poolse jeugdherberg. Toen we 's ochtends voor de gesloten badkamerdeur op onze beurt stonden te wachten en hij de opmerking maakte dat die kerel daarbinnen er toch wel erg lang over deed om zich te scheren, ging het door me heen dat een ziende persoon dit wellicht nooit had kunnen zeggen. Er was immers helemaal geen gezoem van een elektrisch scheerapparaat te horen; het geluid dat mijn vriend had herkend, was het schoonmaken van een plastic scheermesje waarbij het tegen de rand van de wastafel werd getikt. Men durft wel eens te beweren dat een blinde scherper zou horen, maar dat is klinkklare onzin. Zijn gehoor overbrugt geen grotere afstanden; wat een blinde heeft geleerd, zijn omgevingsgeluiden beter te duiden en ruimtelijk nauwkeurig te lokaliseren. Wat dit laatste lokalisatieaspect betreft, is het wellicht nog nuttig even kort stil te blijven staan bij een fenomeen dat als 'echolocatie' wordt betiteld. Dit duidt op de verdichting van de atmosfeer die optreedt wanneer geluidsgolven tegen een groot oppervlak - muur, boom - botsen en daardoor gedempt worden. Dit verklaart onder meer waarom veel blinde mensen de afmetingen van een voor hen onbekende kamer toch vrij goed kunnen inschatten, ook al is het er nog muisstil. Omdat iemand die een wand nadert, vooral die verdichting ter hoogte van zijn gezicht zal gewaarworden, gebruikt men ook wel eens de term 'gelaatsvoeling' voor hetzelfde verschijnsel. Voor mij persoonlijk is dit vermogen naast de witte stok een belangrijk hulpmiddel bij de oriëntatie in een stad of binnen een gebouw en het vermijden van obstakels; andere blinde mensen houden vol er niet op te kunnen vertrouwen of zelfs nooit wat van een soortgelijk 'zesde zintuig' bij zichzelf te hebben bespeurd. Van nature zou iedereen ontvankelijk moeten zijn voor zulke signalen, ook ziende mensen. Wie een pikdonkere ruimte betreedt, kan toch meestal vrij snel bepalen of het om een grote zaal dan wel een klein kamertje gaat. Maar zoals we reeds hebben geconstateerd zal een blinde persoon, ter compensatie van het ontbrekende gezichtsvermogen, efficiënter gebruikmaken van zijn resterende zintuigen en ze bijgevolg dusdanig gaan ontwikkelen - dit geldt naast het gehoor toch zeker ook voor de tastzin en de geurperceptie - dat ze accuratere registraties verrichten dan gemiddeld; een ziende zal daarentegen, meestal onbewust, aan zijn visuele waarneming voorrang geven. Een klassiek voorbeeld daarvan is dat ziende mensen die het brailleschrift willen leren - wat overigens niet bijster moeilijk is -, doordat hun vingertoppen niet gevoelig genoeg blijken te zijn, zich genoopt zien het als gewone tekst te lezen, dus met behulp van hun ogen.
In de huidige maatschappij leveren de integratie van duizenden mensen met een visuele beperking elke dag het bewijs dat menselijke interactie niet noodzakelijk hinder hoeft te ondervinden van een gelimiteerder zintuigenarsenaal. Dove mensen zien zich in dat opzicht helaas vaak voor een veel zwaardere opdracht geplaatst, zodat de vraag zich opdringt waar de essentie van de intermenselijke contacten nu feitelijk gezocht moet worden. De uitwerking van dit vraagstuk zou ons thans te ver voeren, maar ik meen wel met reden te mogen stellen dat Magees bewering al te voortvarend is geweest, en ingegeven werd door het wijd verbreide geloof in het zien en de ondoordachte veronachtzaming van de andere zintuigen.

Foto: In een decor van oude bomen met een groen bladerdak staat een mensenhoog ijzeren beeldhouwwerk. Het lijkt een poort van enkele opeengestapelde cirkels en ovalen (die aan de voor- en achterzijde dus plat van vorm zijn, maar wel een behoorlijke dikte hebben). Welke (menselijke) vormen zie je erin?

Dit is deel 3 van het essay De innerlijke lichtinval dat verder uit de volgende delen en paragrafen bestaat:
[ Kort vooraf ]
[ 1 ] [ 2 ] [ 4 ] [ 5 ] [ 6 ]
[ geraadpleegde literatuur ]
[ reacties ]
Het geheel ligt in het kunstplantsoen dat zich in het Filosofiepark bevindt.

Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.

Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.

Vraag de weg in het Tourist Office.