FILOGOPOLIS

de stad waar het woord de weg wijst

De innerlijke lichtinval

2. "De bewering dat we het gezichtsvermogen (zogezegd) boven al het andere verkiezen, bracht bij mij toen ik dit voor het eerst las een schok van herkenning teweeg, want die bewering is waar en niet alleen elementair maar vooral essentieel. De schok werd ten dele ook veroorzaakt omdat ik dit inzicht niet zelf op eigen kracht tot mijn bewustzijn had laten doordringen." (Magee, 2001, p.53-54)
Dit is een fragment uit een brief die de Engelse filosoof Bryan Magee aan zijn Schotse blinde vakgenoot Martin Milligan schreef. De twee denkers hadden op voorstel van Magee besloten een correspondentie op te zetten, waarin ze zouden trachten te analyseren hoezeer het wereldbeeld van Milligan, die amper de eerste twee jaar van zijn leven gezien had en daaraan naar eigen zeggen geen enkele herinnering meer bewaarde en bijgevolg tot de categorie van de blindgeborenen mag worden gerekend, afweek van dat van een ziende persoon, in dit geval dus Bryan Magee. Het resultaat hiervan heeft zijn neerslag gevonden in een heel lezenswaardig boek, dat niet alleen een intrigerende inkijk biedt in de wereld van een blind iemand, maar wel in de eerste plaats het klaarblijkelijk ongenaakbare gezichtsvermogen van zijn voetstuk stoot om het gehele zintuiglijke apparaat van de mens in vraag te stellen; daarop kom ik later uitvoeriger terug.
Wat opvalt in dit citaat is Magees eerlijke bekentenis dat zelfs hij als vakfilosoof zich nooit terdege rekenschap had gegeven van de alles overheersende positie die de visuele perceptie in het menselijk bestaan bekleedt. Dit plotselinge besef waarover Magee het heeft, zal zich inderdaad dikwijls pas bij goedziende mensen voordoen wanneer zij hun situatie consequent gaan vergelijken met die van iemand die dit zintuig wel ontbeert. Dan dringt het eensklaps tot die ziende persoon door hoe afhankelijk hij van zijn beide ogen is, doordat die hem in staat stellen razendsnel en van op afstand een heleboel informatie te verzamelen over zijn omgeving en de mensen met wie hij communiceert - gelaatsuitdrukkingen, gebaren, blikken, lichaamstaal etc. Het verschil met het gehoor dat het enige zintuig is dat eveneens gegevens kan verschaffen over de ons omringende werkelijkheid zonder daarmee in direct lichamelijk contact te hoeven treden, bestaat hierin dat het zicht over een veel verder reikende actieradius beschikt, bijgevolg een aanzienlijk ruimere oppervlakte bestrijkt en de hoeveelheid verkregen informatie voelbaar groter wordt. Met name een drukke straat oversteken is voor een blinde niet per se riskanter dan voor een ziende persoon, maar het zal de eerste wel meer tijd kosten om te verifiëren of de kust veilig is. Dit zijn de cruciale factoren - de grote hoeveelheid, de gedetailleerdheid van de informatie, de hoge verwerkingssnelheid en de vergaande ruimtelijke draagwijdte ervan - die verklaren waarom een ziende duizenden taken kan vervullen of op het gezicht toegespitste activiteiten kan verrichten, die voor zijn visueel beperkte medeburger nooit zullen zijn weggelegd. Enkele van de meest voor de hand liggende voorbeelden daarvan zijn onder meer een auto besturen of een partijtje tennissen. Maar er is nog meer, want net zoals dat bij de overige zintuigen het geval is, zorgt de visuele waarneming er eveneens voor dat de mens ontvankelijk is voor een welbepaald type sensatie, dat we in de onderhavige context onder de noemer 'visueel esthetische ervaringen' kunnen samenbrengen. Het is in dit verband wellicht geboden er nog kort de aandacht op te vestigen dat de esthetiek hier niet mag worden begrepen als onderdeel van de traditionele Platoonse benadering, waarbinnen deze term strikt gelimiteerd werd tot de schoonheid, het Ware, het Sublieme; in de actuele betekenis behelst de esthetiek net zozeer die gewaarwordingen die bij de kijker andere emoties weten op te wekken, zoals verrassing, angst, gêne, verwarring enz. Dan zijn we ook in het vaarwater van de hedendaagse beeldende kunsten beland.
De onlangs overleden Susan Sontag heeft terecht grote erkenning geoogst voor de serie essays die ze aan de fotografie wijdde, en waarin ze op lucide wijze de mechanismen inherent aan deze kunstvorm - of moeten we zeggen journalistiek-wetenschappelijk registratie-instrument? - heeft blootgelegd en van kritisch commentaar voorzien. Het artikel met de reeds veelzeggende titel 'The Heroism of Vision' mag hier dan ook niet onvermeld blijven, vooral omdat ze daarin twee functies van de foto belicht die van wezenlijk belang zijn, willen we de machtsusurpatie van het beeld in onze huidige maatschappij ten volle kunnen bevatten, namelijk: schoonheid creëren en de waarheid vertellen. Laten we beginnen met de laatstgenoemde taak van de fotografie.
De basale eigenschappen van het zien die we zo-even onder de loep hebben genomen, zijn er verantwoordelijk voor dat de mens van nature van zijn vijf zintuigen het meest op zijn gezichtsvermogen vertrouwt, dat schijnbaar de minst bedrieglijke weergave van de wereld der dingen biedt. Om nog eens op het verkeer terug te komen: iemand die bij een kruispunt staat te wachten, kan met één blik volstaan om een goed overzicht van zijn omgeving te krijgen; mocht diezelfde persoon geblinddoekt worden, dan zou de angst hem om het hart slaan, want plots zou hij zich verloren wanen in een chaotische zee van geluid. Trouwens, denken we maar aan de courante uitspraak "Ik zal het pas geloven, als ik het met m'n eigen ogen heb gezien." Sontag stelt dat de intrede van de fotografie in de eerste helft van de negentiende eeuw deze natuurlijke tendens dermate heeft geïntensiveerd dat de harmonieuze samenhang tussen de verschillende zintuiglijke waarnemingen radicaal werd verbroken, om vervolgens te evolueren naar een alleenheerschappij met het zien als dwingeland. De foto werd de afbeelding van een stuk wereld. Journalisten, antropologen, biologen, allen trokken ze er met de camera op uit om de werkelijkheid te herontdekken en te inventariseren, zodat aan een gulzig publiek de 'waarheid' kon worden getoond, en de valse schijn ontmaskerd. De fotografie werkte in al haar directheid zo onthullend, zo shockerend dat ze al gauw als synoniem ging gelden voor wetenschappelijke exactheid: de fotografie slaagde erin dat deel van de wereld te ontbloten dat voor de gewone visuele waarneming verborgen bleef. Op Aarde raakte de voorraad aan onontgonnen streken voor sommigen snel uitgeput, waarna de fotografische exploratie van de rest van het heelal de nieuwste uitdaging vormde. Het spreekt voor zich dat de opkomst van de televisie en decennia later van het Internet die ontembare zucht naar visuele informatie alleen nog maar hebben aangewakkerd. Toch is het positivistische enthousiasme waarmee de eerste fotografen fenomenen en gebeurtenissen wilden vastleggen reeds lang in diskrediet geraakt. Intussen begint men langzamerhand de nefaste invloeden van de beeldcultuur en haar 'waarheidsgetrouwheid' te onderkennen: kinderen zouden alsmaar agressiever worden, nu ze via de buis en allerlei computerspelletjes voortdurend bloederige moordscènes krijgen opgedist; reclamemakers houden de consument een ideaal voor, waaraan de laatste zich in weerwil van het onrealistische karakter ervan toch wil spiegelen; en ook terroristische organisaties hebben reeds begrepen hoe doeltreffend dit wapen is: onlangs bleek er tot ieders afgrijzen een video-opname met daarop de onthoofding van een Amerikaanse gijzelaar in Irak op het Internet te circuleren. Plots rees het vermoeden dat het beeld wel eens als een boemerang zou kunnen worden gebruikt.
De tweede taak van de fotografie waarop Sontag ons attendeert, de creatie van schoonheid, vloeit voort uit de surreële eigenheid van de natuurgetrouwe afbeelding die de foto in wezen is. "Niemand heeft door fotografie ooit lelijkheid ontdekt", met deze krachtdadige stelling opent ze haar betoog. Een foto die voorwendt de exacte kopie van een splinter werkelijkheid te zijn, kwadrateert die werkelijkheid en schijnt ons daarom reëler toe dan die wereld zelf. De pioniers van de fotografie geloofden al in hun missie die er zogezegd in zou bestaan de schoonheid der 'verschijnselen' aan het licht te moeten brengen. Geleidelijk aan ontwikkelde er zich een nieuwe vorm van kijken, die je als fotografisch kunt bestempelen: de wereld wordt een verzameling potentiële foto's, waarbij het de kunst is nu net dat plaatje te schieten dat ons de dingen weer op een andere manier laat zien. Er was een nieuwe norm geboren: wat gefotografeerd werd, moest wel mooi worden gevonden. In het moderne sprookje La goutte d'or van Michel Tournier maakt een Franse toeriste in de Noord-Afrikaanse Sahel een kiekje van een jonge berber. De jongen besluit de vrouw naar Parijs achterna te reizen om de afgedrukte foto op te eisen, omdat die haar anders macht over hem verleent. Afgezien van het antropologische discours dat in dit verhaal verweven zit aangaande de cultuurafhankelijke rol van het teken, illustreert het tevens hoe het Westen het beeld heeft geassimileerd als een autonoom deel van de werkelijkheid, terwijl het in traditionelere maatschappijen nog steeds veeleer als een symbool wordt bejegend. Voor de jeugdige Arabier belichaamt de foto een meta-entiteit die hem ontstijgt. Voor de Française vallen het eigenlijke woestijntafereel en de afbeelding ervan gewoonweg samen, en ze wilde dat partikeltje van de wereld bewaren omdat ze het mooi vond en ermee kon bewijzen dat ze wel degelijk op die plek was geweest.

Noten

3. Zie hiervoor Sontag, S., 'The Heroism of Vision', uit ON PHOTOGRAPHY (1977), New York, Farrar, Straus and Giroux, p. 85-112.
De aspecten van het zgn. "nieuwe fotografische kijken", die bij Sontag wel aan bod komen, blijven in het boek van Milligan en Magee (op. cit.) jammer genoeg onderbelicht. Het zou echter oneerlijk zijn de auteurs daarom van nalatigheid te beschuldigen, gelet op Milligans plotse overlijden waardoor het project niet kon worden afgerond. Het is immers best mogelijk dat ze deze thematiek voor een latere fase van de discussie hadden gereserveerd. [ terugkeren ]

Foto: In een decor van oude bomen met een groen bladerdak staat een mensenhoog ijzeren beeldhouwwerk. Het lijkt een poort van enkele opeengestapelde cirkels en ovalen (die aan de voor- en achterzijde dus plat van vorm zijn, maar wel een behoorlijke dikte hebben). Welke (menselijke) vormen zie je erin?

Dit is deel 2 van het essay De innerlijke lichtinval dat verder uit de volgende delen en paragrafen bestaat:
[ Kort vooraf ]
[ 1 ] [ 3 ] [ 4 ] [ 5 ] [ 6 ]
[ geraadpleegde literatuur ]
[ reacties ]
Het geheel ligt in het kunstplantsoen dat zich in het Filosofiepark bevindt.

Wandel terug naar de Agora, het centrale plein van FILOGOPOLIS.

Lees het laatste nieuws in onze stadskrant, de Logos.

Vraag de weg in het Tourist Office.